donderdag 15 februari 2018

Uitgelezen: Noord. Brief aan Sien Volders.

Beste Sien,
 
Humo? Jarenlang was dit weekblad mijn gids doorheen het culturele landschap.  Boeken.  Films.  Elpees.  Op hun oordeel ging ik voort.  Dat blad bepaalde wat ik moest kopen.  Wat ik kon kopen.  Wat ik absoluut niet mocht kopen.  Jawel, ik was een volgeling.  Bijna was Humo een geloof.  Guy Mortier was de oppergod.  Hij was onfeilbaar.  Dat had zo zijn gevolgen.  Vaak deed ik al eens een verkeerde aankoop.  Een slecht boek.  Een vervelende film.  Een niet te doorgronden elpee.  Voor die foute aankoop kon ik niemand de schuld aanwrijven.  Enkel bij mijzelf diende ik de schuld te zoeken.  De onfeilbaarheid, u weet wel.  Ik was nog niet klaar voor dat ene boek.  Voor die ene film.  Voor die ene elpee.  Te hoog gegrepen voor een gewone plattelandsjongen als ik.  Jammer.  Maar zo was het nu eenmaal.  Sommige dingen vielen buiten mijn bereik.  Het leven kan hard zijn.
 
Op het kaft van uw debuutroman las ik die enkele woorden van Guy Mortier.  Zeldzaam zuivere taal en stijl.  Dat waren zijn lovende woorden over uw boek.  Ik wist wat ik moest doen.  Ik wist wat van mij verwacht werd.  Ik moest aan de slag met uw boek.  Uw boek moest ik lezen.  Enige twijfel bekroop mij.  Faalangst, zo zou ik het gevoel durven te omschrijven.  Toch waren de omstandigheden anders nu.  Ik was ouder nu.  Ik was rijper nu.  Meer levenservaring.  Grotere levenswijsheid.  Dat meende ik toch te mogen veronderstellen.  Het zou wel lukken.
 
Ik stapte dus in bij Sarah, het hoofdpersoon uit uw boek.  In haar olijfgroene Dodge reed ik mee naar Forty Mile, een afgelegen stadje in het noorden van Canada.  Die rit deed mij goed.  Het maakte mij los van Gent.  Van Zwijnaarde.  Met mijn hoofd zat ik in Canada.  Volledig.  Nu zou u kunnen denken dat ik lichtjes overdrijf.  Dat doe ik niet.  Ik hoed mij voor overdrijvingen.  Ik hou mij er ver van weg.  Dus, neen, ik overdrijf niet.  U bracht mij naar Canada.  In mijn hoofd creëerde u die wereld.  Uw taal had een dergelijke scheppende kracht.  Ik zag wat Sarah zag.  Ik zag die schoonheid.  In die mate dat het mij deed verlangen.  In mij kwam het verlangen op mijn koffers te pakken.  De deur te sluiten en te vertrekken.  Ik wou dat ruisvrije denken ervaren.  Ik wou dat verdomde lege landschap in mij opnemen.  
 
Ik wil hier niet focussen op mijn verlangens.  Ik wil hieraan voorbijgaan.  Om mij volledig op uw boek te richten.  Uw boek dient centraal te staan.  Dat verdient uw boek.  Ruimschoots.  Laat mij daarom naar uw boek terugkeren.  Naar Sarah.  Naar Forty Mile.  Naar de verlangens van zijn bewoners en bezoekers.  Naar hun wensen.  Naar hun dromen.  Naar hun vragen.  Naar hun zoektochten.  Want dat alles sluimert doorheen uw boek.  Terwijl u het verhaal van Sarah vertelt.
 
Dat verhaal brengt mij bij de liefde.  De grote liefde.  De nieuwe liefde.  De allesverslindende liefde.  De allesverterende liefde.  De meeslepende liefde.  Die liefde kent Sarah.  Die liefde ontmoet Sarah.  Die liefde confronteert Sarah.  Zij moet vaststellen dat liefde niet altijd werkt.  Dat liefde niet overal werkt.  Soms kan liefde niet verkast worden.  Niet verplant worden.  Omdat het al te zeer gebonden is aan de plaats.  Aan de locatie.  Soms lijkt een liefde niet meer te werken.  Omdat nieuwe ingrediënten de toverformule in de war sturen.  Omdat nieuwe ingrediënten modificaties aanbrengen.  Nauwelijks vast te stellen wijzigingen in persoonlijkheden.  Die liefde toont u.  Schetst u.  Die strijd verwoordt u.  Die pijnlijke strijd.
 
Toch is het niet enkel die strijd die u belicht.  De strijd om vast te houden aan de liefde.  Om te vechten voor de liefde.  In uw boek gaat u in op de vraag wat het betekent artiest te zijn.  Het is die vraag die Sarah naar het noorden drijft.  Jaagt.  Zij moet een keuze maken.  Een keuze, die een impact zal hebben op haar bestaan als artiest.  Op haar functioneren als artiest.  Zij aarzelt een beslissing te nemen.  Omdat zij meent dat die beslissing een funeste impact kan hebben op haar vrijheid als artiest.  Moet zij blijven opereren als zelfstandig zilversmid of toch maar samenwerken met een internationaal juwelenhuis? Die vraag doet haar twijfelen.  Enkel afzondering kan antwoord bieden.  Dat meent zij oprecht.  Daarom vertrekt zij.  Spoorslags.
 
Alle goede dingen bestaan uit drie.  Er moet dus ook een derde strijd zijn, die moet gevoerd worden.  Die derde is de strijd van Forty Mile met zijn bewoners.  Die strijd lijkt afwezig te zijn in de zomer.  Dan is het leven heerlijk.  Dan is het noorden op zijn best.  Die derde strijd wordt pas aangegaan in de winter.  Dan verandert alles.  Dan lijkt het goudzoekersstadje zijn bewoners een spiegel voor te houden.  Wat men dan ziet, is niet altijd fraai.  Het eigen kunnen lijkt dan vaak een illusie te zijn.  Die confrontatie kan naar de drank voeren.  Kan dwingen tot vertrek.  Tot een aftocht.  De zomers verhullen.  Verbergen.  De winters openbaren.  Onthullen.
 
Ik las uw boek.  De woorden van Guy Mortier waren terecht.  Niks tegenin te brengen.  Mijn oppergod had het bij het rechte eind.  Hij had mij naar een pareltje geleid.  Een pareltje, waarin de taal van een unieke schoonheid getuigt.  De taal waarmee u dat wonderbaarlijke landschap tot leven wekt, gebruikt u ook om die diverse gevechten treffend te schetsen.  Uw wondermooie taal ontroert.  Raakt.  Uw taal doet het verhaal zinderen.  Schitteren.  Uw taal maakt het landschap zichtbaar.  De liefde voelbaar.  De twijfel tastbaar.
 
Beste Sien.  Ik wil u danken voor dit boek.  Een brief moest geschreven woorden.  Omdat enkel een dankuwel te bescheiden was voor uw boek.  Uw boek vraagt in het geprezen worden meerdere woorden.  Ik heb getracht de juiste woorden te vinden.  De juiste woorden, die andere lezers tot uw boek kunnen brengen.  Uw taal moet ontdekt worden.  Uw stijl moet geproefd worden.  Want beiden smaken naar meer.  Naar veel meer.  Bedankt.  Bedankt.  Bedankt.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 13 februari 2018

Hoe een ongeval mij tot Take 7 (Klara) bracht. Brief aan Lies Steppe.

Beste Lies,
 
Bus rijdt zes voetgangers aan in Brussel.  Eén persoon in levensgevaar.  Vrijdagavond las ik dit op mijn iPhone.  Via een korte newsflash.  Zaterdagmorgen las ik het in de krant.  Via een uitgebreider artikel.  Onder normale omstandigheden was dit nieuwtje aan mij voorbijgegaan.  Ik ben geen ramptoerist.  Ik blijf niet stilstaan bij ongevallen.  Noch bij natuurrampen.  Ik registreer het wel.  Ik neem het wel op.  Maar verder gaat het niet.  Mijn persoonlijke betrokkenheid bij het dagelijkse nieuws kent zijn grenzen.  Ik doseer.  Uit zelfbehoud.  Maar toch.  Toch kan het verkeren.  Dat wist Bredero reeds vroeg.
 
Vrijdagavond deed één telefoontje mij die korte newsflash opnieuw lezen.  Dat ene telefoontje deed het mij anders lezen.  Plots was er die betrokkenheid.  Over de telefoon kreeg ik via mijn zus te horen dat mijn jongste broer één van de aangereden voetgangers was.  Zij was nu bij hem.  In het hospitaal.  Niks ergs, dat vertelde zij mij meteen.  Ik hoefde niet te panikeren.  Mijn broer had de nodige en juiste onderzoeken gehad.  Dat volstond om hem gezond te verklaren.  Wel was hij behoorlijk onder de voeten.  Onder de indruk.  Mij werd daarom de vraag gesteld of ik hem kon repatriëren.  Van Brussel naar Gent.  Uiteraard, dat kon ik.  Dat spreekt voor zich.  Ik vertrok.
 
U vraagt zich heel waarschijnlijk af waarom ik mij met dit verhaal tot u richt.  Heel waarschijnlijk hebt u de brief al aan de kant gelegd.  Dat zou jammer zijn.  Want net nu zal ik de reden onthullen waarom ik deze brief schrijf.  Waarom ik mij tot u richt.
 
Ik vertrok.  Met de wagen.  Vóór ik de wagen startte, moest nog één ding gebeuren.  Eén belangrijk ding.  Ik diende het juiste radiostation te kiezen.  Dat was geen sinecure.  Dat zou al vlug blijken.  Rust, dat was wat ik nodig had.  Kalme rust.  Rustige vastheid, zo zouden sommige politici het gevoel omschrijven.  Mijn muziekkeuze diende hierbij aan te sluiten.  Mijn zoektocht kon beginnen.  Ik startte bij Studio Brussel.  Wij zijn twee handen op één buik.  Niet altijd.  Wel heel vaak.  Alleen blijkt vrijdagavond geen optie te zijn om af te stemmen op StuBru.  Dan wordt de start van het weekend gevierd.  Dat gaat gepaard met de nodige toeters en bellen.  Ingetogenheid is niet wat deze start vraagt.  Uitbundigheid kan dan enkel.  Ik diende uit te wijken.  Naar Radio 1.  Dat is altijd een goede tweede.  Maar die avond was er voetbal.  Luisteren naar een live verslaggeving was geen goede keuze.  Een echte voetbalfan ben ik niet.  Dan verliest die verslaggeving elke relevantie.  Toch voor mij.  In de meer popgerichte zenders zoals Q Music, MNM, Joe FM of Nostalgie had ik helemaal geen zin.  Het zou een te grote inspanning vragen van mij.  Grote inspanningen diende ik te vermijden.  Zoals ik al zei, ik moest rustig blijven.  Ik wilde rustig blijven.
 
Dan kwam die plotse inval.  Het zou een unicum zijn voor mij.  Maar heel misschien zou het voor deze avond toch de juiste zender zijn.  Klara.  Dat zou het worden.  Mijn broer is een grote fan van de zender.  Hij tracht ons te bekeren.  Helaas, tot op heden kende zijn bekeringsijver weinig succes.  Ik bleef doof voor zijn pleidooien.  Tot die vrijdagavond.  Het leek mij juist te zijn.  Plots leek ik te beseffen dat een andere zender geen optie was.  Mijn broer was slachtoffer.  Een huiselijk gevoel creëren kan dan wonderen doen.  Dat is wat ik dacht.  Ik zocht de juiste radiofrequentie.
Klara weerklonk in mijn wagen.  Groot was mijn verbazing geen klassieke muziek te horen.  Dat had ik verwacht.  Die verwachting werd niet ingelost.  Ik kwam uit bij Take 7.  Ik kwam uit bij u.  Wat als een groot gebaar naar mijn broer was opgevat, werd plots een geschenk voor mijzelf.  Ik leek weg te glijden in de muziek.  Dat kan wel eens gevaarlijk zijn.  Vooral als ik niet enkel luisteraar ben maar ook chauffeur.  De ogen moeten op de weg gehouden worden.  Dat werd mij zo geleerd.  Herhaaldelijk werd mij dat gezegd.  Ik doe het ook.  Steeds en altijd.  Mijn visuele focus lag op de weg.  Veiligheid primeert.  Mijn auditieve focus daarentegen lag bij de radio.  Ik spitste mijn oren.  Dit was fantastisch.  Bijna een openbaring.  Nu moet ik wel zeggen dat de omstandigheden optimaal worden.  Buiten was het donker.  Nauwelijks iemand op de baan.  Alleen op de wereld, zo leek het wel.  In de avond reed ik op de autosnelweg.  Met uw muziek.  Dit kon niet beter.  Ik wou blijven rijden.  Ik moest denken aan dat ene liedje van Hans De Booij, Annabel.  Al reis je door naar het eind van de wereld, ik ga met je mee.  Dat zingt Hans.  Dat wou ik doen.  Met uw muziek door mijn boxen.  Helaas, dat ging niet.  Dat was onmogelijk.  Ik was op missie.  Ik moest om mijn broer.
 
Alain Toussaint.  John Surman.  Bob Brookmeyer.  Curtis Fuller.  Die namen waren mij voorheen onbekend.  Hun muziek was mij voorheen onbekend.  Op weg naar Brussel maakte ik kennis.  Die kennismaking behoefde geen lang voorspel.  Wij zaten onmiddellijk op dezelfde golflengte.  Wij hadden geen woorden nodig.  De muziek sprak voor zich.  Datgene wat ik beoogde met de keuze van de juiste muziek, bereikte ik.  Rust.  Kalmte.  Rampscenario’s, die aanvankelijk door mijn hoofd spookten, verdwenen als sneeuw voor de zon.  Paniek was uitgeschakeld.  Ik was de rust in hoogsteigen persoon.  Maar dat had ik heel waarschijnlijk al gezegd.
 
Ik kwam aan bij het Brusselse hospitaal.  Mijn broer stapte in.  Op kreupele wijze wist hij zich naast mij op de passagiersstoel te installeren.  Wij reden een tijdje.  Na hem eerst uitgehoord te hebben over het eigenlijke ongeval, moest ik het zeggen.  Ik kon niet zwijgen.  Ik vertelde mijn broer dat de radio op Klara stond.  Ik zei het met een zekere fierheid.  Mijn broer leek die fierheid te detecteren.  Hij lachte.  Een beetje.  Het ongeval had dan toch één positief neveneffect.  De grote broer heeft de weg gevonden naar Klara.  Dat leek hij te denken.  Dat meende ik in dat lachje te lezen.
 
Ik zette mijn broer af.  Bij hem thuis.  Ik zelf reed naar huis.  Met de wetenschap dat mijn broer het goed stelde.  Ik kwam thuis aan.  Aan mijn vriendin vertelde ik het hele verhaal.  Om te eindigen met de mededeling dat ik Klara had ontdekt.  Dat ik helemaal weg was van Take 7.  Ongevallen hoefden zich niet meer te herhalen.  Dat moest niet.  Terugkeren naar Take 7, dat zou ik wel doen.  Dat zou ik herhalen.  Elke vrijdagavond.  Als jazzy begin van het weekend.
 
De Brusselse MIVB had van mij een ander mens gemaakt.  Een voller mens.  Een Klara mens.  Elk nadeel heb zijn voordeel.  Dat zei ooit een groot Nederlands voetballer.  Ik kan het enkel beamen.
 
Beste Lies.  Ik wil u danken voor uw muzikale gezelschap tijdens mijn ritje naar en van Brussel.  Het was mij een waar genoegen.  Het was een wonderbaarlijke avond.  Samen met u.  Dank daarvoor.
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 8 februari 2018

Uitgelezen: Eén jaar met Trump. Brief aan Ine Roox.

Beste Ine,
 
Ik wilde Amerika begrijpen.  Ik wilde Trump begrijpen.  Of neen, dat laatste wil ik herformuleren.  Ik wilde begrijpen hoe Trump tot het hoogste ambt is kunnen opklimmen.  Het laatste jaar stelde ik vast dat ik met stijgende verbazing naar de Verenigde Staten keek.  Ik begreep het niet.  Met open mond keek ik naar wat gebeurde.  Ik trachtte alles te plaatsen.  Dat bleek onmogelijk.  Mijn kennis was ontoereikend.  Ik moest aan de slag.  Ik las Nee is niet genoeg van Naomi Klein.  Dat was een begin.  Een goed begin.  Toch moest ik verder.  Mijn kennis diende uitgediept te worden.
 
In u meende ik een gids gevonden te hebben.  Het afgelopen jaar was u correspondent voor De Standaard in Amerika.  De cruciale momenten van het voorbije jaar hebt u als ooggetuige beleefd.  U moest kunnen duiden.  U moest kunnen verklaren.  Dat hoopte ik.  Daarom las ik uw recentste boek, Eén jaar met Trump.  Ik hoopte dat u met antwoorden zou komen.  Dat uw antwoorden mij verder zouden brengen dan al te gemakkelijke platitudes.  Want om tot een helder debat/begrip te komen, moeten we verder kijken dan veralgemeningen.  U zou mij die helderheid aanreiken.
 
Een eerste verklaring voor de verkiezingszege van Donald Trump zou kunnen zijn dat tweeënveertig procent van de kiezers niet ging stemmen.  Dit weekend zag ik de laatste aflevering van Wanderlust.  Daarin praatte Alicja Gescinska met Lesley Hazleton.  Daarin opperde Hazleton dezelfde bemerking.  Zij stelde dat velen in hun afkeer voor Hillary Clinton beslisten thuis te blijven.  Zij weigerden hun handen vuil te maken.  Trouw te blijven aan hun ‘heilige’ principes.  Terecht stelde zij dat de handen soms moeten vuil gemaakt worden om erger te voorkomen.  Ondermeer die koppigheid heeft Donald Trump in het Witte Huis gebracht.
 
Een andere, nieuwe groep ging dan weer wel stemmen.  Zij, die vroeger bij verkiezingen thuis bleven, gingen nu wel stemmen.  Donald Trump richtte zich tot die Amerikanen.  Hij vertaalde hun angst in heldere slogans.  Hij voelde hun angst voor het socialisme en ging tekeer tegen Obamacare.  Hij voelde hun angst voor globalisering en beloofde hen de handelsverdragen op te blazen.  Hij voelde hun angst voor immigratie en zei een muur te bouwen aan de grens met Mexico.  Hij voelde hun angst voor geweld en pleitte voor law and order.  Hij voelde hun angst voor banenverlies en beloofde jobs naar Amerika terug te brengen.  Deze Amerikanen voelden zich in de steek gelaten.  Donald Trump plaatste die kiezers niet in het verdomhoekje.  Hij noemde die kiezers niet deplorable zoals Hillary Clinton deed.  Hij deed hen opnieuw dromen.  Misschien beseften zij wel dat de verkiezingsbeloftes leeg en vals waren maar zij gaven de voorkeur opnieuw te kunnen dromen.
 
Angst valt niet enkel waar te nemen bij de kiezers van Donald Trump.  Ook aan de andere kant heerst angst.  Vooral na de overwinning van Trump.  Migranten zonder papieren, moslims, jonge vrouwen, zwarten, … kijken met een zwaar gemoed naar de toekomst.  Zij vrezen een hardere aanpak.  Een terugval in het emancipatieproces.  
 
Het gekke is dat die angst het land verdeelt in plaats van verenigt.  Het land valt uiteen in twee kampen, waarin eenieder zijn eigen grote gelijk verdedigt.  Iedereen trekt zich terug in dat kamp van het grote gelijk.  Gelijkgestemden zoeken elkaar op.  Zij groeperen zich.  In vriendenkringen.  In wijken.  In de media.  Een grens wordt getrokken.  Het debat wordt niet meer gevoerd.  Het ene kamp draait zich weg van het andere.  Het compromis lijkt verder weg dan ooit.
 
Niemand lijkt die kampen te kunnen samenbrengen.  In uw boek doet u een poging.  Als buitenstaander meent u de rol van bruggenbouwer te kunnen spelen.  U laat beide kampen aan het woord.  U stelt vragen.  U confronteert.  U tracht te ontmaskeren.  U doet datgene wat niemand meer lijkt te lukken in Amerika.  Gewoon, eenvoudig praten.  Gewoon, eenvoudig luisteren.  U peilt naar het geloof in de gemaakte verkiezingsbeloftes.  Naar de geloofwaardigheid.  Beide kampen mogen hun zegje doen.  U praat over de rassenkwestie.  Over Obamacare en Medicaid.  Over werkgelegenheid.  Over het verdwijnen en/of heropleven van industrieën.  Over abortus en vaccinatie.  Over wapens en geweld.  U laat de kiezers aan het woord.  Hun verhalen vult u aan met cijfers.  Met vaststellingen.  Met resultaten uit gevoerde onderzoeken.  Met niet te ontkennen feiten.  U tracht zo tot het grotere geheel te komen.  Het grotere geheel, waarin de lezer antwoorden kan vinden.  Het grotere geheel, waaruit meer begrip kan groeien.
 
Het geschetste beeld zou tot pessimisme kunnen leiden.  Een lezer zou de toestand als somber en weinig hoopgevend kunnen ervaren.  Voorlopig heerst er een crisissfeer in de twee dominerende partijen.  De Republikeinen zijn verdeeld over Trump.  De Democraten lijken nog altijd niet te snappen waarom Clinton verloor.  Die crisissfeer verlamt.  Toch hebt u op uw reis ook positieve signalen opgevangen.  Signalen, die doen hopen op een positieve uitkomst.  De laatste maanden hebben we kunnen zien dat Trump toenadering zoekt tot de Democraten.  Dat hebben we gezien in het dossier van de Dreamers.  Dat hebben we gezien in het dossier van het tijdelijk optrekken van het schuldplafond.  We stellen vast dat de figuur en de ideeën van Bernie Sanders niet meer weg te denken zijn.  We zien hoe heel waarschijnlijk de Democraten meer in die richting zullen opschuiven.  Er wordt nagedacht over het systeem van de verkiezingen.  Zo wordt gepraat over open voorverkiezingen zonder de noodzaak tot registreren.  In het land schieten allerhande actiecomités uit de grond.  Zij organiseren het verzet en lijken uit te groeien tot een links georiënteerde Tea Party.  Bovendien lijken ook de kiezers van Trump zich politiek te engageren.  Zij zullen Trump afrekenen op zijn verwezenlijkingen.  Op het breken of nakomen van zijn verkiezingsbeloftes.  Die grotere betrokkenheid kan een positief effect hebben.
 
U laat zien dat Donald Trump het eindproduct is van een lang proces.  Hij komt niet zomaar uit de lucht vallen.  Ergens mochten we het wel verwachten.  Alleen wisten we niet wanneer dat zou gebeuren.  Verbaasd stellen wij nu vast dat het vorig jaar gebeurde.  In Nee is niet genoeg vertelde Naomi Klein dat een overtuigende kandidaat enkel kans heeft als hij de drie crises benoemt: het neoliberalisme, de economische ongelijkheid en de klimaatverandering.  Ik meen in uw boek eenzelfde analyse te mogen lezen.  Tussen de regels door.
 
Ik hoopte dat u mij met uw boek antwoorden zou aanreiken.  Dat hebt u gedaan.  Op een onderbouwde en overtuigende wijze.  Ik meen nu alles iets beter te begrijpen.  Ik meen nu dat de Verenigde Staten niet langer dat gekke land is.  Integendeel.  Ik meen nu dat de Verenigde Staten onderhevig is aan politieke ontwikkelingen, die wij ook op het Europese continent ontwaren.  Misschien met dat ene verschil dat in Amerika alles wordt uitvergroot.  Dat alles preciezer onder het vergrootglas wordt bekeken.  Omdat Amerika een spelverdeler was (is) op het politieke wereldtoneel.  Daarom kijken wij met grote ogen naar de recente gebeurtenissen.  Daarom voelen we ons betrokken partij.
 
Beste Ine.  Ik wil u danken voor dit verhelderende boek.  Voor dit heldere en begrijpelijke boek.  Het was mij een waar genoegen dit boek te kunnen lezen.
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 6 februari 2018

Mooie liedjes: Comet Street. Gezien in De Zwerver, Leffinge (op Humo's Rock Rally 2018). Brief aan Brecht, Jelle, Thijs en Ace.

Beste Brecht,
Beste Jelle,
Beste Thijs,
Beste Ace,
 
Nog nooit was ik naar Humo’s Rock Rally gaan zien.  Dit jaar word ik vijftig.  Mijn afwezigheid op deze rally interpreteerde ik als een blaam op mijn rockende blazoen.  Dit jaar zou ik hierin verandering brengen.  Ik zou die blaam uitvagen.  Dit jaar zou ik gaan.  Ik woon in Gent.  Ik had gemakkelijk naar de preselecties in CC Nova gekund.  In Nazareth.  Dat is dichterbij.  Toch koos ik voor De Zwerver in Leffinge.  Dat kan vreemd lijken.  Dat is het niet.  Ik doe niks zonder een reden.  Alles is weldoordacht.  Althans, dat is wat ik denk.  In Leffinge stond Comet Street.  In Leffinge stonden jullie.  
 
Wij kennen elkaar.  Dat kan roet gooien in mijn vermogen te oordelen.  Het verwijt van een zekere partijdigheid zou kunnen weerklinken.  Men zou mij kunnen zeggen dat de objectiviteit in gevaar is.  Laat mij u geruststellen.  Van partijdigheid is geen sprake.  De objectiviteit blijft gegarandeerd.  Indien ik uw performance als slecht zou beoordelen, had ik kunnen zwijgen.  Ik had u na het concert vlugvlug kunnen feliciteren.  Om dan weg te vluchten.  Daarmee zou de kous af zijn.  Het feit dat ik nu een brief zit te tokkelen, doet bij u heel waarschijnlijk het vermoeden groeien dat ik lichtjes onder de indruk moet geweest zijn van uw korte optreden.  Ik kan uw vermoeden bevestigen.  Ik was danig onder de indruk.
 
Vijftien minuten.  Binnen dat korte tijdsbestek dient u jury en publiek te overtuigen.  Vijftien minuten? Heel soms kunnen vijftien minuten als bijzonder lang ervaren worden.  Alsof er maar geen einde komt aan die vijftien keer zestig seconden.  Het kan ook andersom.  Het kan ook gebeuren dat diezelfde vijftien minuten als te kort worden ervaren.  Alsof die minuten in een knip voorbij zijn.  In het eerste scenario vervelen wij ons.  In het tweede scenario verlangen wij naar meer.  Naar nog een extraatje.  Welk scenario het zou worden in De Zwerver weet ik niet.  Ik kan enkel maar hopen dat het laatste scenario werkelijkheid zou worden.  Ik kan dat enkel maar hopen.  Voor mij.  Voor jullie.
 
Jullie komen op.  De korte soundcheck is voorbij.  Nu kan het echte werk beginnen.  Nu moet het bewijs geleverd worden van jullie kunnen.  Vijftien minuten lang.  Ik weet niet wat het zal worden.  Jawel, ik heb al dingen opgevangen.  Meningen en opinies zijn mij al overgemaakt.  Maar zoals wel eens wordt gezegd, the proof of the pudding is in the eating.  Eindelijk zal ik jullie muziek kunnen ‘eten’.  Ik zal uw muziek kunnen voelen.  Kunnen betasten.  Ik zal de overgave zien.  Het geloof.  Althans, dat is wat ik hoop te mogen beleven.  U ziet en leest, ik leef in hoop.
 
Die eerste minuut gaat even uw vingertje omhoog.  Een kleine terechtwijzing.  Uw stem komt onvoldoende door.  Zit weggeduwd.  U hoort dat.  U reageert.  Op een gepaste wijze wordt gereageerd.  Er wordt even bijgestuurd.  Dan zit het goed.  Dan valt alles in de juiste plooi.  Enkele seconden lang was er twijfel.  Maar die is nu weg.  Nu wordt het genieten.  Volop genieten.  Ongestoord.  Ongegeneerd.  Nu kan dit klinken als een te gemakkelijke omschrijving van wat ik beleef.  Toch is het zo.  Anders kan ik het niet zeggen.  Puur muzikaal genot.  Ik word niet afgeleid door die vervelende drang.  Die vervelende dwangmatigheid om te vergelijken.  Om toch maar enkele grote namen uit de dikke muziekencyclopedie te linken aan jullie muziek.  Dat wil ik niet.  Dat doe ik niet.  Jullie muziek stuurt.  Heerst.  Overheerst.  Enkel jullie staan centraal.  Al de rest lijkt te vervagen.  Lijkt weg te glijden.
 
Vijftien minuten zijn zo voorbij.  Jullie razen.  Jullie stormen.  Op muzikaal overtuigende wijze.  Geen gerommel.  Geen gerammel.  Alles zit juist.  Julius Caesar wist het in vroegere tijden bondig te omschrijven.  Veni, vidi, vici.  Ik kwam, ik zag, ik overwon.  Toch dient deze uitdrukking enigszins aangepast te worden.  Zodat zij op een juiste wijze de werkelijkheid vertaalt.  Ik kwam, ik zag, jullie overwonnen.  Zo moet het zijn.  Dit doet de waarheid recht.  Vijftien minuten zijn zo voorbij.  Bisnummers zijn geen optie.  De regie van Humo’s Rock Rally is strak.  Jammer.  Want voor mij mocht dit feestje met Comet Street nog een tijdje doorgaan.  Ik had geproefd.  Het smaakte naar meer.  Helaas.  Driewerf helaas.  Het mag niet zijn.  Een andere band schuift aan en verdringt jullie van het podium.
 
Eindelijk zag ik jullie aan het werk.  Ik ben overtuigd.  Ik zag een groep die recht heeft op een podium.  Een groep die recht heeft op concerten.  In grote getale.  Dat hoeft niet enkel binnenland te zijn.  Buitenland mag ook.  Zeker en vast.  De meeste dromen zijn bedrog.  Dat zei ooit een groot Nederlands filosoof.  Ik hoop voor jullie dat die droom geen bedrog mag zijn.  Maar werkelijkheid.  Pure en tastbare werkelijkheid.  Ik wens het jullie van ganser harte toe.  
 
Beste Brecht.  Beste Jelle.  Beste Thijs.  Beste Ace.  Ik wil jullie nog danken voor die fijne avond in De Zwerver.  Ik weet het, ’t is al een tijdje geleden.  Beter laat dan nooit.  Goede dingen moeten verteld worden.  Moeten doorgegeven worden.  Dan speelt het tijdstip niet echt een rol.  Toch?
 
Met vriendelijke groeten.

 

woensdag 31 januari 2018

Uitgelezen: Leven en dood volgens Jelke Bos. Brief aan Trinus Riemersma.

Beste Trinus,
 
Wat is de zin van het leven? Waarom leven wij? Op die vragen durven wij al eens een antwoord te zoeken.  Bij voorkeur starten we die zoektocht naar antwoorden laat op de avond.  In bruine kroegen.  Op het moment dat de glazen net iets te diep worden.  Dan menen wij de hoogste toppen van diepzinnigheid bereikt te hebben.  Dan gaan we lallen.  Lullen.  Dan vinden wij de antwoorden, die wij de volgende ochtend alweer vergeten zijn.  Het is verdomd niet makkelijk mens te zijn.
 
Jelke Bos stelt zich dezelfde vragen.  Alleen is er dat ene verschil.  Jelke Bos is geen mens.  Het is een hond.  Een hond, die praat.  Een hond, die denkt.  Dat kan niet.  Dat is onmogelijk.  Onze menselijke arrogantie zegt dat wij de enige denkende wezens zijn.  Enkel mensen kunnen praten.  Jelke Bos wijst ons terecht.  Honden praten wel degelijk.  Alleen, zij doen het niet.  Of toch niet vaak.  Zeker niet in de buurt van mensen.  Want indien mensen dit zouden vaststellen, zouden zij denken dat honden intelligent zijn.  Dan zouden honden ingeschakeld worden in het arbeidsproces.  Dat wil Jelke Bos niet.  Daarom zwijgt hij.  Toch als mensen in de buurt zijn.
 
Ik heb het nog niet gezegd.  Daarom doe ik het nu.  Dit is een vreemd boekje.  Een apart boekje.  Voordat ik het boek las, dacht ik dat u de auteur was.  Dat is niet zo.  Jelke Bos, de hond, schreef het boek.  Een getuigenis.  Over zijn leven.  Na een bijna verdrinkingsdood gaat Jelke Bos nadenken over het leven.  Het geleefde leven.  Als hond waagt hij zich aan de grote levensvragen.  Hij komt niet tot ingewikkelde theorieën.  Hij verwijst niet naar allerhande filosofen of andere verlichte geesten.  Dat doet hij niet.  Hij blijft dicht bij zijn leven.  Om daaruit enkele levenswijsheden te distilleren.
 
Het leven? Jelke Bos weet hoe het niet moet.  Hij leeft samen met zijn baasje, sukkel.  Jelke Bos ziet de mens sukkelen met het leven.  Jelke Bos observeert de mens en ziet hoe het denken van de mens bezwaard wordt met ver gegrepen onzinnigheden.  Met bijzaken.  Hij ziet hoe de mens het leven verpest door aan alle nukken te voldoen.  De mens breekt zijn kop over niet gebeurde en niet bestaande dingen.  Jelke Bos meent dat het denken over de onwezenlijkheid de teloorgang van de mens is.  Het bestaande wordt veronachtzaamd en zo verkommert de liefde.  Dat heeft hij kunnen vaststellen in zijn omgeving.
 
Diezelfde mens maakt zich razend druk en komt nergens aan toe.  Het druk hebben is een teken van correct leven.  Nergens aan toekomen is een deugd.  Ontspanning moet gemeden worden als een vreselijke ziekte.  De mens maakt het zichzelf bijzonder moeilijk.  Tot die vaststelling komt Jelke Bos.  Die vaststelling betreurt hij.  Want hij weet dat het anders kan.  Dat het beter en eenvoudiger kan.  Daarvoor kijkt hij naar zichzelf.
 
Jelke Bos heeft een heel simpele levensfilosofie.  Het leven is eindig.  We komen in dit leven, blijven een tijdje en gaan dan weer weg.  Elders in het boek zegt hij het op nog een andere manier.  We komen, we zijn, we gaan.  Zo simpel is het.  Niks meer.  Niks minder.  Jelke Bos weet dat wij het leven niet nodeloos moeten bezwaren.  Verzwaren.  We moeten niet zoeken naar de zinvolheid.  Want als wij die niet vinden, lijden wij onder de zinloosheid.
 
Jelke Bos weet die eenvoud mooi te verwoorden.  Het leven bestaat uit een reeks toestanden en voorvallen.  Leuke, vervelende, boeiende en machtige.  Van het goede moet een mens genieten, het minder aangename moet een mens verdragen.  De zinvolheid moet niet nagestreefd worden.  Het overvalt je.  Als de rijkdom van het leven de mens in al zijn overdadige weelde aanraakt, moet diezelfde mens moedig zijn en drinken met volle teugen.  Het leven geeft de mens onverwachte momenten van bloeiend en brandend geluk, die moet de mens aannemen en niet vragen waarom.  Kan het nog eenvoudiger? Ik dacht het niet.
 
Dit boekje wil ik dicht bij mij.  Ik leg het binnen handbereik.  Omdat ik weet dat ik nog meerdere keren wil verdwalen in dit boek.  Ik wil grasduinen in het boek.  Ik wil bladeren in het boek.  Omdat ik nu al weet dat ik opnieuw die warmte wil ervaren.  Omdat ik opnieuw die levensvreugde wil proeven.  Schoonheid kan eenvoudig zijn.  Schoonheid kan heel compact zijn.  Dat is wat dit boek is.  Eenvoudige schoonheid.  Compacte schoonheid.  Dit boek wil je niet aan de kant leggen.  Dit boek wil je niet gewoon in de boekenkast plaatsen na het lezen.  Dat zou zonde zijn.  Dit boek moet beduimeld worden.  Dit boek moet gekreukt en gekraakt worden.  Voor één keer zou dit getuigen van respect voor een boek.  Omdat er zo vaak naar teruggegrepen wordt.  Omdat de lezer de woorden van Jelke Bos opnieuw wil lezen.  Letterlijk.  Omdat diezelfde lezer zich wil warmen aan die hondse wijsheid.
 
Ik heb het boek bij mij.  Het gaat met mij mee.  Het volgt mij als het ware.  Als een trouwe hond.  Ik kan het boek niet loslaten.  Nooit was ik zo onder de indruk van een kleinood.  Dit boek is een pareltje, dat ik niet wil lossen.  Nooit.  Nergens.
 
Beste Trinus.  Ik kan u niet meer ontmoeten.  U stierf in 2011.  Dat is jammer.  Ik had u zo graag willen danken.  Voor dit rijke boek.  Voor dit wijze boek.  Dat kan niet meer.  Toch doe ik het.  Ik wil u danken voor dit testament.  Zo voel ik het.  U lijkt dit boek geschreven te hebben als een testament aan mij.  Een testament, waarin u mij wijze woorden en waarheden aanreikt.  Daarvoor wil u danken.  Intens en overvloedig.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Gegevens:
Leven en dood volgens Jelke Bos van Trinus Riemersma: ISBN: 978 94 90042 12 7 - €14,50 - Uitgeverij Zirimiri - verdeling door EPO.

dinsdag 30 januari 2018

Desperado van Het Toneelhuis, gezien in Minnemeers. Brief aan Johan Van Assche, Kevin Janssens, Peter Van den Begin en Tom Dewispelaere.

Beste Johan,
Beste Kevin,
Beste Peter,
Beste Tom,
 
Woensdagavond keek ik naar vier mannen.  Vier mannen op een barkruk.  In een niet alledaagse outfit.  Cowboys, dat waren het.  Althans, dat wilden die vier mannen ons doen geloven.  Zij praatten.  Meer tegen zichzelf dan tegen elkaar.  Ik luisterde en stelde mij de vraag of er gradaties bestaan in het praten.  Want wat die vier mannen deden leek in de verste verte niet op praten.  Zij babbelden.  Babbelen stel ik dan gelijk met inhoudsloos wauwelen.  Zij plakten woorden aan elkaar zonder de behoefte te hebben of te voelen dat die aaneengeplakte woorden ook enige betekenis zouden moeten hebben.  De tijd doden, dat leek de voornaamste betrachting.  
 
Het gekke was dat de vier mannen meenden een echt gesprek te voeren.  Zij waanden zich ‘the great communicators’.  Zij meenden dat zij door die gesprekken een band creëerden.  Dat gebeurde niet.  Dat gebeurt niet.  Dat zal nooit gebeuren.  Wat gezegd wordt, wordt onmiddellijk vergeten.  Ondanks dat falen, blijven zij elkaars gezelschap opzoeken.  Omdat zij in de illusie leven dat wat zij vertellen een meerwaarde heeft.  Een meerwaarde voor zichzelf.  Een meerwaarde voor de drie andere kompanen.  Zij menen dat zij doen wat anderen niet meer doen.  Niet meer kunnen.  Zij vertellen verhalen.  Zij communiceren.  Dat anderen dat niet meer doen of kunnen, noemen de vier mannen de ziekte van de huidige tijd.  De mensen kroppen op.  De mensen uiten zich niet meer.  Het is dan ook pijnlijk om te zien hoe de vier mannen zich zelf voor de gek houden.  Die vier mannen kunnen het ook niet.  Ook zij falen waar alle anderen falen.  Alleen, zij weten het nog niet.  Of willen het niet weten.
 
De vier mannen wanen zich superieur.  Zij denken voor alles een oplossing te hebben.  Erger nog, zij menen onmisbaar te zijn.  Zij zullen iedereen wel eens de levieten lezen.  Want zij weten hoe het moet.  De ware werkelijkheid verschilt evenwel van de manier waarop de vier mannen die werkelijkheid lezen.  Zij jutten elkaar op.  Vuren elkaar aan.  In dat opjutten drijven zij verder weg van de werkelijkheid.  Zo wanen zij zich echte macho’s.  Womanizers.  De werkelijkheid vertelt een ander verhaal.  Hun vrouwen lieten hen in de steek.  Houden hen aan het lijntje.  Het ligt allemaal nogal gevoelig.  Zij huilen als kleine kinderen als zij denken waar het fout is gelopen.  Met de tranen komen barsten in de macho-schijn.
 
Zij zeggen hun dromen te willen realiseren.  Daarvoor zullen zij hun werk moeten opgeven.  Dat zullen zij doen.  Dat beloven zij elkaar.  Zij zullen zeggen waar het werkelijk op staat.  Hun baas of ploegleider zullen zij zeggen dat het over is.  Dat het voorbij is.  Zij zullen hem de rug toekeren en de deur achter zich dichttrekken.  Om nooit meer terug te keren.  Om eindelijk hun lang gekoesterde droom te realiseren.  Tegen hun overste zullen zij harde woorden gebruiken.  Dat zeggen zij elkaar.  Zij zullen het hard spelen.  Zullen niemand ontzien.  Eindelijk zal alles op tafel komen.  Wat lang niet gezegd werd, zullen zij nu zeggen.  Omdat zij een missie hebben.  Zij gaan hun droom achterna.
 
Het is pijnlijk om te zien.  Het is pijnlijk om te horen.  Want wij weten wat de werkelijkheid is.  Wij weten dat die vier mannen sukkels zijn.  Wij weten dat het geen helden zijn.  Wij weten dat de vier mannen leven in een leugen.  Een grote leugen.  Binnen hun eigen kringetje kunnen zij de illusie in stand houden dat zij de wereld begrijpen.  Dat zij voor de grootste problemen een oplossing kunnen aanreiken.  Binnen hun eigen kringetje menen zij alles onder controle te hebben.  Helaas, dat is niet zo.  Eens zij buiten hun kringetje treden, worden zij verpletterd door die grote wereld.  Zij worden verpulverd.
 
Ik lach om wat gezegd wordt.  Om hoe het gezegd wordt.  Ik lach om wat getoond wordt.  Om hoe het getoond wordt.  Ik lach om die sukkels.  Om hoe ze blijven geloven in die grote leugen.  Maar bovenal lach ik omdat ik geniet.  Omdat ik geniet van dat vakmanschap op het podium.  Van het spelplezier op het podium.  Ik lach om elk gebaar.  Hoe klein ook.  Want elk gebaar heeft betekenis.  Elk gebaar is nodig.  Ik lach om elke stilte.  Want elke stilte is juist gekozen.  In elke stilte schuilt het grootste aantal woorden.  Elk gebaar en elke stilte zijn precies getimed.
 
Ik kijk naar wat gebeurt.  Samen laten jullie de voorstelling kletteren.  Knisperen.  Spetteren.  Schitteren.  Samen doen jullie de voorstelling klauwen.  Slaan.  Duwen.  Trekken.  Samen laten jullie het publiek uitbundig lachen.  Pijnlijk zwijgen.  Bovenal bewerkstelligen jullie dat ene.  Jullie zaaien twijfel.  Twijfel omtrent een juiste houding.  Moeten wij die vier losers veroordelen omwille van die tentoongespreide leegheid? Of moet eerder sympathie gevoeld worden voor die vier mannen, die ook maar verwoede pogingen doen gewoonweg te overleven? Ik weet het niet.  Ik neig naar het laatste.  Want wie kan niet meevoelen met zij, die ter plaatse trappelen en nooit een stap vooruit zetten? Die volharding ontroert.  Ja, toch?
 
Rest mij nog één ding te zeggen.  Dit moet gezien worden.  Ik beperk mij tot woorden.  Ik had jullie sterren kunnen geven.  Vijf sterren.  Tien sterren.  Ontelbare sterren.  Maar sterren vuren niet aan.  Manen niet aan.  In vergelijking met woorden moeten sterren het afleggen.  Daarom dus die enkele woorden.  Misschien te eenvoudig.  Dat zou kunnen.  Maar een wijs man vertelde mij dat juist in eenvoud de grootste overtuigingskracht schuilt.  Ik geloof nog in wijze mannen.  Ik hecht geloof aan hun wijsheid, die hen door anderen wordt toegedicht.  Daarom nog één keer.  Dit moet gezien worden. 

Beste Johan.  Beste Kevin.  Beste Peter.  Beste Tom.  Ik wil jullie danken voor een wonderlijke, fantastische avond.  Het was heerlijk.  Magistraal.  Dank.  Dank.  Dank.
 
Met vriendelijke groeten.

Speellijst:
Desperado – Het Toneelhuis.