donderdag 19 april 2018

Uitgelezen: De kiezers. Brief aan Jonathan Dee.

Beste Jonathan,
 
Geen aanpassing.  Geen gewenning.  U plaatst de lezer onmiddellijk met beide voeten in het verhaal.  Geen korte voorstelling dus.  Geen korte situatieschets.  Het had nochtans gekund.  Vele auteurs kiezen voor die benadering.  Om hun lezers zo zachtjes aan het verhaal in te trekken.  U doet dat niet.  Onmiddellijk staat de lezer in New York.  Op een memorabel moment.  De aanslagen op de Twin Towers zijn net gebeurd.  Wij zouden een lofzang op de helden van toen kunnen verwachten.  Dat was een mogelijkheid.  U vermijdt die al te gemakkelijke benadering.  U kiest een andere weg.  U formuleert een aanklacht.  U hekelt de kumbaya-sfeer in de stad.  In het land.  U fulmineert tegen het valse broederschapsgevoel.  De Twin Towers zijn net ingestort en plots zijn iedereen broeders en zusters.  U gelooft dat niet.  In die eerste bladzijden schemert uw kritiek door.  Kritiek op de genomen maatregelen.  Kritiek op de reacties van het publiek, de inwoners.  Absolute veiligheid wordt gevraagd.  Wordt geëist.  Met die eis hebt u het moeilijk.  Heel moeilijk.  Omdat u ten volle beseft dat een dergelijk garantiebewijs niet kan afgeleverd worden.
 
Na die inleiding verlaten we New York.  We verhuizen naar Howland.  In Massachusetts.  Een ingeslapen dorpje, waar iedereen alles weet van iedereen.  Een rustig dorpje, zouden wij kunnen denken.  Maar ook hier dringt de bezorgdheid om de veiligheid binnen.  Het dorpje is tijdens de zomer een pleisterplaats voor de rijkere elite.  Die hebben daar hun buitenverblijf.  Dat moet beschermd worden.  Tegen vijanden.  Tegen terroristen.  Alle middelen, hoe ridicuul ook, zijn toegestaan.  Terecht beschuldigt u die persoontjes van een lichte vorm van arrogantie.  Want waarom zou hun persoontje een mogelijk doelwit kunnen zijn.  Hun arrogantie doet hen naar enige vorm van zelfoverschatting overhellen.
 
Iemand (Philip Hadi) verhuist van Manhattan naar Howland.  Hij importeert die bezorgdheid inzake veiligheid naar het dorpje.  Aanvankelijk beperkt hij zich tot zijn eigen stekje.  Zijn eigen huisje wordt een versterkte burcht.  Maar alles verandert.  Wanneer Hadi burgemeester van het dorpje wordt, breidt die bezorgdheid zich uit tot het gehele dorpje.  Er is nauwelijks enige vorm van protest.  Zelfs hier worden die veiligheidsmaatregelen aanvaard.  Het excuus dat deze ‘hoogdringende’ maatregelen een noodzakelijkheid zijn, wordt voor waar aangenomen.  Het recht op privacy wordt ook hier stelselmatig ingeperkt.  De ridiculiteit regeert het land, zo blijkt.
 
Uw boek beperkt zich niet tot dat ene thema.  Dat zou te beperkt zijn als fundament voor een roman.  U nodigt de lezer uit tot een wandeling doorheen het dorpje.  U voert ons binnen bij de inwoners van het dorpje.  U laat ons achter de gevel kijken.  Zo krijgen wij een inkijk in het Amerikaanse leven.  In de Amerikaanse droom.  Wij zien hoe dat geobsedeerd nastreven van die droom mensen ten gronde kan richten.  Maar niet enkel zien wij dat.  Ook dat zou alweer te beperkt zijn.  De Amerikaanse samenleving blijkt een uitstekende voedingsbron voor discussie te zijn.  Die voedingsbronnen sijpelen door in uw boek.  De rol van de overheid.  Het nut van belastingen.  De gezondheidszorg.  Het huwelijkse bestaan.  De opvoeding van de kinderen.  De alomtegenwoordigheid van televisie.  De democratie.  De verkiezingen.  Zin of onzin van politieke correctheid.  Al de bewoners laten in hun handelen vele mogelijke standpunten over deze thema’s doorschemeren.  De situatie is complex.  Dat is het minste wat kan gezegd worden.  
 
Ik had mij voorgenomen het niet te zeggen.  Toch doe ik het.  Heel dikwijls komt bij het lezen van uw boek dat ene woord doorheen mijn hoofd spoken.  Die ene persoon.  Trump.  Trump.  Trump.  Howland doet mij begrijpen hoe bij complexiteit vaak naar simpliciteit wordt gegrepen.  Mensen lijken zo het ingewikkelde te willen omzeilen.  Te willen negeren.  Dan komt een mens vaak tot onthutsende en verrassende oplossingen.  Zoals onlangs gebeurde.  Bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen.  Dat maakt uw boek mij duidelijk.
 
Niet enkel lees ik Trump in uw boek.  Ik ontwar in uw boek een zekere ergernis.  U stoort zich aan de passiviteit.  Er is geen oppositie.  Geen verzet.  Alles wordt geslikt.  In het uiten van terecht protest is de mens lui geworden.  Als wij het maar goed hebben.  De rest? Dat lijkt ons niet wakker te houden.  U vraagt aan de lezer een zekere betrokkenheid.  Als lid van een maatschappij hebben wij die plicht.  Zoals de dochter van Mark, het hoofdpersonage uit uw boek.  Zij toont ons hoe het moet.  Tussen alle slapende geesten in het dorp staat zij rechtop.  Zij laat ons zien wat het nut van politiek protest kan zijn.  Politiek protest moet de machtigen de macht ontnemen ons iets te weigeren.  Dat lijkt mij een mooie gedachte.  Een hoopgevende gedachte.  Met dat helder en duidelijk politiek statement sluit u uw boek af.  Dat statement blijft hangen bij mij.  
 
Beste Jonathan.  Ik ben blij uw uitnodiging geaccepteerd te hebben.  Ik ben blij aan uw hand door Howland gewandeld te hebben.  Ik ben blij met u op bezoek gegaan te zijn bij die enkele inwoners.  Bij Glenn, de postmeester.  Bij Penny, de assistente bij een dokterspraktijk.  Bij Abigail, uitgever van The Howland Gazette.  Bij Joanna, een leerkracht.  Bij Jack, een biologische boer.  Bij Joe en Vivian, gepensioneerden.  Bij Todd, sterrenchef.  Bij Candace, onderdirectrice van een school.  Hun levens maakten mij veel duidelijk.  Via die kleine levens kreeg ik een beter zicht op het grotere geheel.  Een vollediger zicht op het grotere geheel.  U gaf mij die duidelijkheid.  U schonk mij die volledigheid.  U maakte mij een rijker mens.  Daarvoor wil ik u danken.  
 
Met vriendelijke groeten.

dinsdag 17 april 2018

De Columbus, gezien op Eén. Brief aan Wim Lybaert.

Beste Wim,
 
Ik keek naar uw nieuwste programma.  De Columbus.  Ik keek heel bewust.  Ik keek niet omdat ik bij het zappen toevallig bij u uitkwam.  Dat was het niet.  Heel bewust stemde ik af op Eén.  Ik had daarvoor zo mijn redenen.  Een doelbewuste kijker.  Een kijker met redenen.  Het is eens wat anders.  Wat zijn dan die redenen? Dat zal ik even moeten uitklaren.  Het zou immers te gemakkelijk zijn te beweren dat ik zo mijn redenen heb en daar dan verder helemaal niks mee doe.  Het zou fout zijn mij vervolgens in stilzwijgen te hullen.  Ik zal daarom mijn kaarten op tafel leggen.  Open communicatie, zo noemen ze dat.  Een verklaring, dus.  
 
Vooreerst delen wij dezelfde voornaam.  Wim, de gewilde beschermer.  Die betekenis van onze voornaam delen wij.  Dat zou als reden onvoldoende kunnen lijken.  Een beetje magertjes.  Die opmerking zou terecht kunnen zijn.  Ik kan enkel zeggen dat een mens getriggerd wordt om bepaalde handelingen te stellen.  Diezelfde mens moet aangepord worden.  Die gedeelde voornaam was voor mij een trigger.  Een heel kleine trigger, dat kan en wil ik niet ontkennen.  Maar vaal volstaat één vonkje.  Eén klein vonkje.  Ik moet denken aan dat ene liedje.  Biko van Peter Gabriel.  Daarin zingt de man: once the flames begins to catch, the wind will blow it higher.  Het begint dus met een vonkje.  Eerst een vonkje, dan pas de grote vlammen.
 
Die grote vlammen worden gestuurd door het thema van uw programma.  Reizen.  Mijn grootste passie.  Dat thema doet de vlammen tot onmeetbare hoogten klimmen.  Niks anders kan mij zo enthousiast maken.  Niks anders kan mij zo doen dromen.  Of toch wel, de liefde.  De liefde overtreft alles.  Daar kan niks tegen op.  Zelfs reizen niet.  Ik moet mijzelf dus corrigeren.  Reizen is mijn op één na grootste passie.  Voilà, dit is dan rechtgezet.  Wij kunnen door.
 
U reist zoals het hoort.  U hebt een bestemming.  Die bestemming mag uw gast of gaste kiezen.  Een keuze, waarin het lot een grote hand heeft.  Eens die bestemming gekend is, kan het reizen beginnen.  Die reis begint onmiddellijk.  Begint bij de voordeur van uw gast(e).  U wacht niet tot de eigenlijke bestemming.  De weg daarheen maakt wezenlijk deel uit van het avontuur.  Van de reis.  U stapt niet in de wagen om u te spoeden naar die eindbestemming.  Het door u gekozen vervoermiddel biedt daar ook de gelegenheid niet toe.  De door u tot mobilhome omgebouwde bus dwingt tot traagheid.  Die traagheid transformeert uw reis.  Niet de bestemming maar de rit daarheen wordt het uiteindelijke doel van de reis.  Het reizen zelf wordt hoofddoel.  Het onderweg zijn bepaalt de sfeer.  
 
Dat onderweg zijn als doel op zich dwingt de reiziger tot een noodzakelijke aanpassing.  Hij of zij moet die eindbestemming uit het hoofd bannen.  Hij of zij moet verder met de wetenschap dat de eindbestemming in die korte tijdspanne van vier dagen wel of niet kan gehaald worden.  De focus moet anders ingesteld worden.  De focus verbreedt.  De wegenkaart mag aan de kant.  Het aantal dagelijks te vermalen kilometers moet niet meer berekend worden.  Rust daalt neer.  Vrijheid komt in de plaats.  Die omslag komt niet vanzelf.  Dat vraagt tijd.  Loslaten blijkt dan toch niet evident te zijn.  Controle moet losgelaten worden.  Wonderlijke verrassing treedt in de plaats.
 
Ik kijk naar die eerste aflevering.  Vanuit mijn zetel.  Ik zit zoals ik elke avond zit.  Voor mijn televisie.  Toch is die ene avond anders.  Er gebeurt iets.  Iets wat ik niet voor mogelijk had gehouden.  De muren van mijn woning zie ik afbrokkelen.  Alles kleurt groen.  Om mij heen zie ik de weidse landschappen, die jullie zien.  Ik kijk om mij heen.  Ik zie u aan het stuur.  Ik zie uw gaste in de passagiersstoel.  Het is bijna onmogelijk maar ik zit op jullie bus.  Ik reis mee.  Ik loop die eerste avond die enkele kilometers.  Samen met jullie.  Ik ontbijt, lunch en dineer samen met jullie.  Elke dag weer.  Ik gooi mijn petanqueballen.  Niet om te winnen.  Wel om deel te nemen.  Want net als jullie weet ik dat deelnemen belangrijker is dan winnen.  Samen met jullie zoek ik naar de beste kampeerplaatsen.  Net als jullie kies ik voor wildkamperen.  Uiteraard.  Ook ik voer avontuur hoog in het vaandel.  Ik zit op de bus.  Ik kijk om mij heen.  Naar die prachtige wereld.  Zo dicht bij ons.  Ik kijk om mij heen en ik geniet.  Net als jullie.
 
Aan het eind kus ik u.  Kus ik uw gaste.  Net als jullie doen.  Het voelt een beetje onwennig.  Maar tegelijk voelt het juist.  Wij hebben samen gereisd.  Wij hebben ervaringen gedeeld.  Samen zijn wij op avontuur geweest.  Ik kus en ik huil.  Niet huilen met tuiten.  Wel huilen met kleine, enkele tranen.  Scheiden doet lijden.  Dat besef ik nu.  Nog maar eens.
 
Ik stap van de bus af.  Wij hebben ons Monaco bereikt.  Het groen om mij heen verdwijnt.  De muren van mijn woning herstellen zich.  Ik ben terug thuis.  Eén uurtje lang was ik weg.  Was ik weg van de wereld.  Daarvoor hebt u gezorgd.  Ik kan niet wachten tot onze volgende afspraak.  Want opnieuw wil ik mee.  Opnieuw wil ik uw bus op.  Dat weet ik nu al.  En oh ja, de bestemming doet er niet toe.  Het onderweg zijn, dat is wat telt.
 
Beste Wim.  Beste naamgenoot.  Ik wil u danken voor een fijne televisieavond.  Vanaf nu hebben wij een vaste afspraak.  Elke dinsdagavond zal ik opstappen.  Op weg naar …
 
Met vriendelijke groeten.

donderdag 12 april 2018

Uitgelezen: Hotel Moederland. Brief aan Yusuf Atilgan.

Beste Yusuf,
 
Soms kan het doorgronden van een boek een hele opgave zijn.  Soms laat een boek zich niet zomaar begrijpen.  Dat mocht ik ondervinden met uw boek.  Aan uw boek had ik een zware kluif.  Een behoorlijk zware kluif.  Uw boek was voorwaar een hele uitdaging.
 
Nochtans reikt u in uw boek alle elementen aan die tot begrip hadden kunnen komen.  Alle dingen en personages worden voorgesteld.  De één al uitgebreider dan de ander.  Het stadje.  Het hotel.  Zebercet, hoteluitbater en eigenlijke hoofdpersoon.  De werkster.  De man die officier buiten dienst zegt te zijn.  De vrouw die met de vertraagde trein uit Ankara kwam.  De kat.  De twee handdoeken.  Via die voorstellingen maakt u een schets van de tijdsgeest.  Van de familie.  Van het dagelijks leven.  Van het stadje.  Jawel, u reikt de lezer (en dus ook mij) voldoende tools aan om tot een volledig begrip te kunnen komen.  Maar, maar, maar, …
 
Niet enkel ken ik de omstandigheden.  Niet enkel ken ik de personages.  Bij het lezen van het boek ben ik er ook achter gekomen wat het thema van uw boek is.  U schrijft over de liefde.  Of neen, u gaat nog een stapje verder.  U schrijft over obsessie, de gevaarlijke kant van de liefde.  De zelfvernietigende kant van de liefde.  Zebercet vat een obsessie op voor een dame.  Een dame, die hij slechts één maal zag.  In zijn hotel.  Als gaste.  Zij beloofde hem misschien nog een keer terug te keren.  Zebercet wacht af.  In die afwachtende tijd groeit zijn obsessie voor die dame.  Het leven van Zebercet verengt tot die ene dame.  Die afwezige dame bepaalt zijn doen en laten.  Zijn dagelijkse handelingen, die hij minutieus afwerkte, vallen één voor één weg.  Tot enkel die dame overblijft.  Tot enkel die ene lege belofte overblijft.  Hij wekt de poetsvrouw niet meer.  Hij zegt de krant op.  Dat lijkt allemaal nog niet zo erg.  Erger wordt het als hij ook gasten begint te weigeren.  Hij wijst potentiële gasten de deur met het leugenachtige excuus dat het hotel volzet is.  Hij begint het hotel te verlaten.  Zwerft doorheen de stad.  Gaat naar een hanengevecht.  Naar de cinema.  Naar de rechtbank.  Ik lees hoe obsessie tot verwaarlozing leidt.  Verwaarlozing van de eigen persoon.  Ik lees, zie en voel een pijnlijke verwaarlozing.
 
Tijdens het lezen van uw boek zou ik sympathie kunnen opvatten voor Zebercet.  Of ik zou antipathie kunnen tonen voor Zebercet.  Toch doe ik geen van beide.  Ik blijf aan de kant staan.  Op geen enkele manier word ik betrokken partij.  Aan de zijlijn, daar blijf ik staan.  Gedurende het hele boek.  Dat vind ik vreemd.  Vaak neemt de auteur mij bij de hand.  Leidt de auteur mij doorheen zijn verhaal.  U weigert uw hand uit te steken.  U laat mij verweesd achter.  U laat mij spartelen.  Vanuit uw kamp ontvang ik geen enkele uitnodiging.  Dat maakt mij onzeker als lezer.  Ik meen bepaalde dingen niet opgevangen te hebben.  Ik meen bepaalde hints gemist te hebben.  Ik voel mij mislukt als lezer.  Ik blijf achter met een knagend gevoel.  Een gevoel, dat maar niet verdwijnt.  Want ik meen uw boek niet begrepen te hebben.  Dat onbegrip maakt het mij onmogelijk uw boek definitief af te sluiten.
 
Maar dan kom ik bij het nawoord.  Geschreven door Hanneke van der Heijden, uw vertaalster.  In dat nawoord gebruikt zij die ene term: antiroman.  Nu valt alles op zijn plaats.  Plots gaat het licht schijnen.  Gaat het licht opnieuw schijnen.  Ik meen het boek begrepen te hebben.  Opzettelijk koos u voor een vertelstructuur, die de lezer op afstand houdt.  Met de vaak chaotische zinsconstructies weigert u de lezer toegang tot het boek.  Uw hele boek lang trachtte ik te ontcijferen.  Trachtte ik lijn te krijgen in wat u schreef.  Het lezen van uw boek was hard labeur.  Dat zwoegen en zweten hield mij op een afstand.  Terwijl een roman de lezer het boek wil intrekken, doet u het omgekeerde.
 
Nu weet ik dat u die afstand als auteur bewust nastreefde.  Met de interessante kennis uit het nawoord kijk ik met andere ogen naar uw boek.  Ik kijk terug en begrijp wat u wilde bewerkstelligen.  U wou de lezer elke houvast ontzeggen.  Zodat de lezer op niks kon terugvallen.  Zodat de lezer verweesd achterbleef.  Met lege handen.  Ik voel mij verloren.  Weet niet meer waar ik ben.  Ik lijk niet meer te functioneren.  Ik lijk te verstarren.  Te bevriezen.  Dat lijk ik dan gemeen te hebben met Zebercet.  Ook hij functioneert niet meer in de steeds enger wordende wereld.  Ook hij lijkt zoekende.  Via een listige literaire ingreep vallen Zebercet en ik samen.  Wij maken hetzelfde door.  Op een ander niveau.  Uw gekozen vertelstructuur creëert tegelijkertijd afstand en nabijheid.  Het drijft uiteen.  Het doet versmelten.
 
Boeken moeten steeds weer tot en met de laatste letter gelezen worden.  Met inbegrip van het nawoord.  Dat heb ik gedaan.  Ik prijs mij gelukkig.  Het nawoord doet mij achterom kijken.  Dwingt mij mijn leeservaring te herinterpreteren.  Die herinterpretatie leidt tot begrip.  Maakt dat ik uw boek eindelijk kan afsluiten.  Dat ik uw boek eindelijk ten volle kan waarderen.  Ik ben thuisgekomen in uw wereld.  In uw vreemde wereld.
 
Beste Yusuf.  U schreef een boek over liefde.  Over een obsessie.  U deed mij bijna lichamelijk voelen wat die obsessie met een mens kan doen.  Het was een intense ervaring.  Een intense, verrijkende ervaring.  Het was een zoektocht.  Een zoektocht die mij voorbij twijfel naar bewonderenswaardig begrip bracht.  Daarvoor wil ik u danken.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Info:

dinsdag 10 april 2018

Mooie liedjes: Mutes van Poltrock. Brief aan David Poltrock.

Beste David,
 
Wat volgt, zal u heel misschien vreemd lijken.  Dit jaar zal u drie platen uitbrengen.  Eén akoestische.  Eén meer filmische.  Eén stevige.  Uw eerste worp voor dit jaar is sinds kort een feit.  Mutes ligt nu in de winkel.  Over dat album wil ik het in deze brief hebben.  Maar dat vereist een omweggetje.  Dat album moet ingepast worden in een verhaal.  Een groter verhaal.  Een verhaal, waarin uw album de hoofdrol zal spelen.  De reddende hoofdrol.  Bij het lezen van dat verhaal zal u zich heel waarschijnlijk de vraag stellen waartoe dit alles zal leiden.  Alle wegen leiden naar Rome.  Dat wordt gezegd.  Dus uiteindelijk zal ik ook bij u uitkomen.  Bij Mutes.  Maar eerst dus dat omweggetje.
 
Vorige week werd mijn mailaccount gehackt.  In mijn naam werden al mijn contactpersonen aangeschreven.  Volgens die mail zou ik in Oekraïne zitten.  Ik zou mijn portefeuille verloren zijn.  Om terug naar huis te kunnen zou ik geld nodig hebben.  Ik zou aan mijn vrienden geld vragen.  Veel geld.  Zodat ik opnieuw naar huis zou kunnen.  Van dat hacken was ik die ene morgen niet op de hoogte.  Maar al vroeg ging mijn mobieltje rinkelen.  Heel de voormiddag bleef dat mobieltje rinkelen.  Bezorgde vrienden informeerden naar het waarheidsgehalte van die ene ‘vreemde’ mail.  Om iedereen gerust te stellen, moest ik elke oproep beantwoorden.  Elk sms’je.  Elk telefoontje.  Elk FB-berichtje.  Ik moest ook nog werken.  Het werd een vervelende morgen.  Een hectische morgen.  Net die hectiek wil ik vermijden.  Dat lukt mij meestal vrij aardig.  Die ene morgen lukte het mij niet.  Mijn zenuwen stonden gespannen.  Het werd te veel voor Korneel.  Ik vloekte die morgen al eens.  Niet luidop.  Ik ben welopgevoed.  Die vloeken hield ik binnensmonds.  Geen onvertogen woord kwam over mijn lippen.  Geen enkel godslasterend woord weergalmde aan mijn bureau.
 
Die ene stresserende morgen ging ik op zoek naar afleiding.  Naar een manier om mij tot rust te brengen.  Om zo toch te kunnen blijven functioneren.  Muziek leek mij de juiste manier.  Die week had ik in De Standaard een interview gelezen met u.  Naar aanleiding van uw nieuwste album.  Misschien kon dat album de oplossing aanreiken.  Ik klikte uw album aan.  Ik hoorde u.  Ik hoorde uw piano.
 
Het wonder geschiedde.  Ik had juist gekozen.  Uw muziek bracht rust.  Jawel, de berichtjes bereikten mij nog steeds op vele manieren.  Maar ik zelf was niet langer meer een ‘kieken zonder kop’.  Uw composities waren een balsem voor mijn gestresseerde ziel.  Elke toetsaanslag op uw klavier bereikte mij.  Uw muziek klonk niet ver weg.  Uw muziek had niet die functie van vervelende muzak.  Neen, integendeel.  Uw muziek was aanwezig.  Prominent aanwezig.  Op een dergelijke manier dat de juiste dingen werden geïntensifieerd.  Op een dergelijke manier dat de foute dingen werden weggedrukt.  Uw muziek deed mij focussen.  Die muzikale focus bracht de gezochte rust.  
 
Na die morgen heb ik uw nieuwste album vele malen herbeluisterd.  Niet met de bedoeling om zomaar wat muziek om mij heen te hebben.  Wel telkens met de bedoeling echt te luisteren.  Telkens weer gebeurde dat ene.  Dat ene wonderlijke.  Dat ene wat enkel goede muziek kan teweegbrengen.  Uw muziek trok mij een andere wereld binnen.  Een wereld waarin andere wetten gelden.  Een wereld waarin enkel de wet van de harmonie geldt.  Telkens weer was het fijn naar die wereld te kunnen reizen.  Ik keek naar buiten.  Niet met mijn eigen ogen.  Wel door de ogen die geprogrammeerd werden door uw muziek.  Dat waren niet dezelfde ogen.  Er was een verschil.  De zon leek iets feller te schijnen.  De kleuren leken iets feller te zijn.  De voorbijgangers leken net iets trager te stappen.  De geluiden buiten leken net iets minder fel te zijn.  Wat intenser moest zijn, werd intenser.  Wat gedempter moest zijn, werd gedempter.  Wat moest vertragen, vertraagde.  Uw muziek leek een onzichtbare agent te zijn, die zich ongemerkt in de buitenwereld had opgesteld en alles in goede banen leidde.  Mijn wereld vertraagde.  Ik kon er enkel gelukkig om zijn.
 
Intussen zijn de problemen met mijn mailaccount opgelost.  Intussen werden de veiligheidsinstellingen op punt gesteld.  Volgens de tips van vrienden-techneuten.  Intussen werden alle vrienden gerustgesteld.  Intussen heb ik uw nieuwste album echt kunnen ontdekken.  Zo blijkt maar weer dat elk nadeel toch zijn voordeel heeft.  Ik ben nooit in Oekraïne geweest.  Toch was ik vorige week op reis.  Meerdere malen zelfs.  Vorige week vertoefde ik enkele malen in uw wereld.  Een vliegtuig kwam er niet aan te pas.  Geen kwalijke gevolgen dus voor mijn ecologische voetafdruk.  Uw muziek deed mij reizen.  In mijn hoofd.  Vanuit mijn stoel beleefde ik de mooiste avonturen.  Met u als mijn voorganger.  Met u als mijn gids.  Met u als mijn dirigent.
 
Beste David.  Ik wil u danken.  Ik wil u feliciteren.  Danken voor uw nieuwste album.  Feliciteren met uw nieuwste werkstuk.  Uw akoestische album is een schot in de roos.  Ik kijk nu al uit naar uw volgende album.  Hopelijk mag ik dan weer afreizen naar mooie bestemmingen.  Mooie bestemmingen, gecreëerd door uw muziek.  
 
Met vriendelijke groeten.

 

donderdag 5 april 2018

Uitgelezen: Het einde van de eenzaamheid. Brief aan Benedict Wells.

Beste Benedict,
 
Ik heb lange tijd getwijfeld.  Ik wist niet tot wie ik mijn brief zou richten.  U leek de juiste en logische keuze.  U bent immers auteur van het boek.  Dan verdient u alle lof.  Toch heb ik lang gedacht mijn brief te moeten richten tot Jules, het hoofdpersonage uit uw boek.  In dat geval zou mijn brief ongelezen blijven.  Toch zou ook mijn keuze voor Jules logisch geweest zijn.  Wij zijn per slot van rekening toch een tijdje elkaars compagnon de route geweest.  Wij hebben samen intense tijden beleefd.  Ik was bezorgd om Jules.  Mijn brief zou bedoeld zijn om hem een hart onder de riem te steken.  Om hem het allerbeste te wensen.  Het zou een mooie afsluiting geweest zijn van mijn leeservaring.  Door die brief aan Jules zou de cirkel rond zijn.  Zo voelde het aan.  Toch heb ik het niet gedaan.  Omdat ik dan zou afwijken van een jarenlange gewoonte.  Dat kon ik niet maken.  Na het lezen van een goed boek, schrijf ik een brief aan de auteur.  Nu ook dus.  Geen afwijkingen.
 
Ik ken de dood al heel lang, maar nu kent de dood mij ook.  Zo begint uw boek.  Als eerste zin van een boek komt dit wel binnen.  Nog maar net begonnen aan uw boek en ik moet al eventjes slikken.  Ik besef meteen dat het lezen van uw boek een intense ervaring zal worden.  Het is zo intens dat ik het boek nauwelijks aan de kant durf te leggen.  Omdat het aanvoelt als verraad.  Verraad tegenover Jules.  Ik wil hem niet in de steek laten.  Ik wil hem niet alleen laten.  Ik blijf bij hem.  Enkel ’s nachts moet ik hem alleen laten.  Dan moet ik slapen.  Toch wens ik hem stilletjes een goede nachtrust.  Ik beloof hem de volgende dag terug te keren.  Ik mag zijn vertrouwen niet beschamen.  Jawel, uw boek doet wat met een mens.  Bijna bij elke bladzijde zou ik kunnen huilen.  Heel soms van vreugde.  Veel vaker van pijn.  Uw boek laat niet onberoerd.  Dat kan niet.  Dat is onmogelijk.  De lezer wordt betrokken partij.
 
De ouders van Jules komen om bij een auto-ongeluk.  Jules is nog jong.  Heel jong.  Wij lezen wat een dergelijke gebeurtenis doet met de achtergebleven gezinsleden.  Met Jules.  Met zijn broer.  Met zijn zus.  Het boek is eigenlijk één grote zoektocht.  Eén grote zoektocht om het leven weer op de sporen te zetten.  Het eigen leven lijkt on hold te staan.  Want telkens weer is er dat verlangen naar een leven met de ouders.  Telkens weer is er die hoop dat de ouders toch maar weer het leven binnenstappen en dat alles verder gaat zoals het voordien ging.
 
De dood van de ouders heeft een enorme impact.  Plots leiden de kinderen een heel ander leven.  Niets is meer zoals vroeger.  Jules moet naar een internaat.  Daar wordt hij gescheiden van broer en zus.  Hij is alleen.  Helemaal alleen.  Elk van de drie kinderen gaat op een heel eigen manier om met het verlies.  Er groeien wrijvingen tussen hen.  Zij lijken elkaar te verliezen.  Alsof er plots een muur komt te staan tussen hen.  Heel soms kunnen ze over die muur kijken.  Op die momenten hebben ze contact.  Op die momenten hebben ze steun.  Kennen ze het gevoel niet alleen te staan.  Het gevoel samen te vechten.  Maar kort na die momenten knallen ze weer vol tegen die muur.  Het herstellen van die relaties is een continu proces.  Een proces van trial and error.  Laat het toch goedkomen.  Laat het toch alstublieft goedkomen.  Dat zit ik continu te denken bij het lezen.  Wat het wordt, hoef ik u niet te vertellen.  Dat weet u.  Ik weet het ook.  Potentiële lezers wil ik het laten ontdekken.  Ik zal dus zwijgen over de uitkomst.
 
Jules zit met een hele reeks vragen.  Vragen, die de lezer overneemt.  Vragen, waarop zowel Jules als de lezer een antwoord tracht te zoeken.  In hoeverre is het leven het maken van eigen keuzes of het inlossen van een uitstaande schuld tegenover de ouders? Wat is het onveranderlijke in iemands persoonlijkheid? Is het leven een nulsomspel? Worden de tegenslagen in het leven gecounterd door de meevallers in het leven? Is de mens zelf architect van zijn leven of bepaalt het verleden de gang van het leven? Wanneer zijn woorden de laatste woorden, een kus de laatste kus, een omhelzing de laatste omhelzing, …?
 
Vele vragen worden gesteld in een boek dat handelt over vriendschap.  Over liefde en familie.  Een boek dat handelt over gemis.  Een echt en diep gemis.  Een boek dat handelt over ziekte.  Over dementie en kanker.  Bijna niks wordt uit de weg gegaan.  Die bijna allesomvattende thema’s doen mij in het boek kruipen.  Afstand kan ik niet bewaren.  Ik wil waken.  Ik wil beschermen.  Bovenal wil ik troost bieden.  Troost aan Jules.  Aan zijn broer en zus.  
 
Ik weet niet of een boek mij ooit zo diep heeft kunnen raken.  Of een boek mij ooit zo heeft meegesleurd.  Ik weet het niet.  Ik denk het niet.  Wat ik wel weet en denk, is dat het boek een bijna unieke leeservaring schenkt.  Een boek dat ik koester omwille van de schoonheid.  De schoonheid, die, ondanks de hardheid van de thema’s, toch valt te ontdekken.  Die ontdekking van de schoonheid biedt troost aan de lezer.  Zonder die troost zou het boek te hard vallen.  Als schrijver lijkt u de lezer voor die harde val te behoeden.  Als lezer bied ik troost aan uw personages.  Als schrijver biedt u mij troost.  Het lijkt mij een faire deal.
 
Beste Benedict.  Ik wil u danken voor dit wondermooie boek.  Een boek, dat ik aan iedereen zou willen aanbevelen.  Omdat het boek dwingt om stil te staan.  Stil te staan bij het leven.  Omdat het boek dwingt om na te denken.  Om over datzelfde leven na te denken.  Voor die boeiende en confronterende uitdaging wil ik u danken.  
 
Met vriendelijke groeten.

 

dinsdag 3 april 2018

Overtuigende poetryslam, gezien in Belgium's got talent. Brief aan Lisette Ma Neza.

Beste Lisette,
 
Belgium’s got talent.  Ik kijk niet.  Ik kijk nooit.  Als u mij naar een verklaring zou vragen, zou ik u deze niet kunnen geven.  Op uw vraag zou een grote stilte volgen.  Ik zou wat zuchten.  Ik zou wat stamelen.  Ik zou wat wauwelen.  Maar een echte verklaring? Neen, die zou niet komen.  In het zoeken naar een verschoningsgrond zou ik heel waarschijnlijk grijpen naar het gemakkelijkste excuus.  Ik heb nog zo veel andere dingen te zien.  Dingen, waar ik in de week geen tijd voor had.  Opgenomen dingen.  Jawel, ik kijk uitgesteld.  Het weekend is het uitgelezen moment voor dat uitgestelde kijken.  Zoals u weet, het weekend begint vrijdagavond.  Als wij niet buiten hoeven, nestelen wij ons voor de televisie.  Dan begint onze televisieavond.  Om zo onze digibox wat lichter te maken.  
 
Vrijdagavond hadden we niks te doen.  Wij hoefden niet naar buiten.  Ik had mij al voor de televisie gezet.  Ik had de televisie zelfs al aangeschakeld.  In afwachting van mijn vriendin was ik een beetje aan het zappen gegaan.  U moet weten, wij kiezen samen de programma’s.  Wij kijken samen.  Televisie kijken kan best wel romantisch zijn.  Samen onder een dekentje naar één van onze favoriete programma’s kijken bij het begin van het weekend.  Soms kan dat een geluksmoment zijn.  Mijn vriendin was dus nog eventjes bezig.  Ik wachtte al zappend.  Zo kwam ik uit bij Belgium’s got talent.  Ik hield halt.  Ik stopte met zappen.  Toch even kijken, dacht ik.  Benieuwd naar wat België aan talent te bieden had.
 
Ik zag dans.  Ik zag hypnose.  Ik zag magic burlesque.  Intussen was ook mijn vriendin naast mij komen zitten.  We keken even naar elkaar.  Jawel, dat leken wij mondeling te zeggen.  Jawel, laten wij heel eventjes verder kijken.  Onze programma’s op de digibox moesten nog heel eventjes wachten.  Voorlopig zouden wij nog heel kort live kijken.  Die avond, op dat eigenste moment, wisten wij het nog niet.  Achteraf zouden we zeggen dat het zo moest zijn.  Dat het zo had moeten zijn.  Want indien wij, zoals gepland, hadden weggezapt, dan hadden wij u niet gezien.  Dan hadden wij niet dat sterke bewijs van uw talent gezien.  Dat zou jammer geweest zijn.  Heel jammer.  Doodjammer.
 
Poetryslam, dat was wat u zou brengen.  Ik kende die discipline.  Heel vaag.  Een juiste omschrijving zou ik die vrijdagavond niet hebben kunnen geven.  Dat kan ik nu wel.  Omdat u mij nieuwsgierig hebt gemaakt naar deze disclipline.  Nu kan ik zeggen dat poetryslam een vorm van voordracht is van poëzie.  Dat het een combinatie is van voordracht, dichtkunst en performance.  Dat u bij poetryslam gebruik maakt van intonatie, ritme en lichaamstaal.  Ik zou u kunnen zeggen dat de teksten vaak maatschappijkritisch zijn.  Dat de inhoud even belangrijk is als de kwaliteit van voordracht.  U ziet, ik leer snel.  Met dank aan Wikipedia.  
 
U hebt lef.  Dat is geen verwijt.  Deze brief is niet bedoeld om u eens goed de levieten te lezen.  Dat is het geenszins.  Het feit dat u een lefgozertje bent, kan in deze enkel positief bedoeld worden.  U komt op vrijdagavond zand in de radertjes gooien.  Zand in de televisionele radertjes.  Mensen verwachten bij Belgium’s got talent amusement.  Verstrooiing.  Gemakkelijk vertier.  U mag dat de kijker niet verwijten.  Die kijker heeft een volle werkweek achter de rug.  Dan wil deze het wel even gemakkelijk hebben.  Dat moet u weten.  Dat moet u beseffen.  Toch houdt die kennis u niet tegen om datgene te doen wat u doet.  Wat u moet doen.  Voor die houding kan ik enkel respect opbrengen.  Als performer stapt u het podium op.  U grijpt uw kans om in die enkele podiumminuten een verhaal te brengen.  Niet zomaar een verhaal.  U brengt een verhaal met een boodschap.  In slechts enkele minuten wordt u mijn vrijdagse heldin.
 
Ik hoor u en meteen weet ik dat ik mijn oren moet spitsen.  Dat ik alles wat u zegt, moet horen en begrijpen.  Elk woord.  Elke letter.  Niks mag verloren gaan.  Ik moet alles in mij opnemen.  Want wat u zegt, mag niet zomaar aan de kant gelegd worden.  U zegt waar het op staat.  U schudt wakker.  U houdt de kijker een spiegel voor.  Een spiegel, waarin het niet altijd aangenaam kijken is.  U brengt mij op het puntje van mijn stoel.  U maakt mij blij.  Blij met uw kleine vorm van verzet.  Ik zou u willen omhelzen.  Dat kan evenwel niet.  Daarom dan maar deze brief.  Om u te danken.  Om u aan te moedigen.
 
U sprak over racisme.  Over discriminatie.  Over migratie.  Over sociale achterstand.  U brengt die boodschap niet in Ter Zake.  Niet in De Afspraak.  U kiest voor een populair programma.  U kiest voor Belgium’s got talent.  Een juiste keuze.  Het bereik is groter.  Net als de mogelijke weerstand.  Ik bewonder uw moed.  Ik bewonder uw keuze.  Ik bewonder uw statement.  U hebt gesproken.  Ik knik instemmend.  Goedkeurend.  Uw performance is zo veel sterker dan om het even welke mediacampagne.  Zo veel sterker dan om het even welk nieuwsbericht.  Dit is wat moet gezegd worden.  Wat spijtig genoeg nog steeds moet gezegd worden.
 
Vrijdag keek ik naar Belgium’s got talent.  Ik zag de winnares aan het werk.  Die winnares bent u.  Omwille van de kracht van uw woorden.  Omwille van uw moed.  Omwille van uw lef.  Omwille van uw performance.  Mij overtuigde u.  Uw boodschap wil ik delen.  Wil ik versterken.  Vrijdagavond vervelde ik van kijker naar fan.  Fan van Lisette Ma Neza.
 
Beste Lisette.  Ik wil u danken.  Maar bovenal wil ik u alle sterkte toewensen.  Alle inspiratie.  Om iedereen te overtuigen en uw weg naar de finale te vinden.  Sterkte.  Sterkte.  Sterkte.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Performance:
 

donderdag 29 maart 2018

Uitgelezen: De wafelfabriek. Brief aan Roman Helinski.

Beste Roman,
 
De wafelfabriek.  Nog maar net begonnen aan uw boek en ik maak al een sprong van dertig jaar in het verleden.  In mijn verleden.  Ik keer terug naar Bavegem.  Naar het zuivelbedrijf Inex.  In die fabriek heb ik nog gewerkt.  Als jobstudent.  Eén maand lang.  U zou kunnen opwerpen dat die periode te kort is om mij verwant te kunnen voelen met de personages uit uw boek.  De arbeiders en arbeidsters in de wafelfabriek.  Dat zou heel misschien kunnen.  En toch.  En toch.  Eén maand lang stond ik aan de band.  Ik nam ingepakte dozen van de band en stapelde die op paletten.  Ik kan begrijpen als u schrijft dat gezocht wordt naar dingen die de tijd versnellen en de regelmaat versoepelen.  Net als in de wafelfabriek vonden wij die oplossingen in het praten.  Op de werkvloer.  In de kantine.  Net als in de wafelfabriek praatten wij over de familie.  Over het voorbije weekend.  Over het volgende weekend.  Over reisplannen.  Over kleine onbenulligheden.  Er waren niet enkel die gesprekken.  Er waren ook de grappen en grollen.  Er werd niet enkel gepraat.  Er werd ook gelachen.  Vaak en veel. 
 
Terwijl ik bij het begin van uw boek enige verwantschap voelde, nam ik bij het tweede deel afstand.  Ik was geen betrokken partij meer.  Ik deed een stapje achteruit.  Om te observeren.  Om waar te nemen.  Want wat volgde, kan omschreven worden als bizar.  Als eigenaardig.  Want plots slaat de sfeer in de fabriek om.  Gezelligheid wordt grimmigheid.  Een nieuwkomer grijpt het ontslag van een collega aan om onrust te stoken.  Met vlotte praatjes verzamelt hij alle arbeiders achter zich.  De praatjesmaker leidt het verzet tegen de directie.  Hij grijpt één ergernis (slechte tanden) aan om de arbeiders rond zich te verenigen.  Die ene ergernis wordt het enkele strijdpunt.  Wordt de reden om het werk neer te leggen.  Die praatjesmaker slaagt er in de volledige fabriek lam te leggen.  Geen enkele arbeider maakt bij deze gang van zaken ook maar enige bedenking.  Er wordt niet nagedacht.  Er wordt niet gereflecteerd.  Er wordt enkel blindelings gevolgd.  
 
Het personeel gaat schuilen achter de veilige rug van die ene nieuwkomer.  Hij voert het hoge woord.  Hij wordt hun woordvoerder.  Want dat is wat hij kan.  Hij kan praten.  Hij kan vertellen.  In geuren en kleuren.  Iedereen hangt aan zijn lippen.  De nieuwkomer biedt hoop.  Wat die hoop precies inhoudt, wordt niet duidelijk gemaakt.  Wordt niet concreet gemaakt.  Hoop op een betere toekomst lijkt voldoende.  Hoop op een andere toekomst lijkt meer dan genoeg.  Holle slogans gaan er in als zoete koek.  Een gemakkelijker publiek blijkt niet te bestaan.  Er wordt geen weerwerk geboden.  Voorstellen tot verbetering worden niet uitgewerkt.  Alternatieven worden niet bekeken.  Het blijft bij oppervlakkig gewauwel.
 
Mogelijk debat wordt door de nieuwkomer gesmoord.  De directeur wordt uitgejouwd.  Tegenvoorstellen van de directeur worden weggewuifd.  Nergens valt enige bereidheid tot compromis te bespeuren.  Koppigheid wordt de norm.  Niemand is bereid te buigen.  Beide partijen drijven steeds verder uiteen.  Tot op dat ene moment.  Dat ene moment, waarop de nieuwkomer verdwijnt.  Dan komen barsten in het verzet.  Zachtjes aan zetten beide partijen stappen naar elkaar.  Eerst kleine stapjes.  Dan grotere stappen.  Om elkaar uiteindelijk weer in de ogen te kijken en niet meer te beseffen waarom alles uiteindelijk begonnen is.  De grote, opgepookte woede lijkt te gaan liggen.  De grimmigheid verdwijnt.  De al dan niet valse gezelligheid keert terug.  De grote verontwaardiging lijkt te versplinteren in die kleine ergernissen, die er altijd wel geweest zijn.  Kleine ergernissen, die in zich niet de kracht verenigen om tot een revolutie uit te groeien.  Tenzij een praatjesmaker op het toneel verschijnt.  Dan kan het snel gaan.  Zo wordt die nieuwkomer slechts een herinnering.  Of toch niet.  Die nieuwkomer blijft tegelijk een waarschuwing voor de toekomst.  Een waarschuwing dat het opnieuw kan gebeuren. 
 
Terwijl ik uw boek lees, blijf ik kijken naar de wereld om mij heen.  Plots besef ik dat die grote buitenwereld eigenlijk één grote wafelfabriek is.  Dat die nieuwkomer symbool staat voor politieke praatjesmakers.  Praatjesmakers die er in slagen grote massa’s te scharen achter holle slogans.  Zij weten de grote ergernissen te detecteren en politiek te recupereren.  Zij benoemen die ergernissen zonder de noodzaak te voelen oplossingen aan te reiken.  Want vaak wil het kiezerspubliek geen oplossingen horen.  Vaal zijn zij al blij dat hun ergernissen gehoord worden.  Dat die ergernissen een politiek uithangbord krijgen.  Achter dat uithangbord willen zij zich verenigen.  Blindelings.  Kritiekloos.  Hun trouw beperkt zich in tijd.  Tot het moment dat een andere profeet opstaat.  Dat is wat ik om mij heen zie.  Ik zie hoe de massa van profeet naar profeet springt.  
 
Woede verblindt.  Het maakt niet uit of die woede al dan niet terecht is.  Het maakt niet uit om welke reden die sluimerende woede wordt aangewakkerd.  Dat alles doet niet ter zake.  In uw boek lees ik de gevaren van die blinde volgzaamheid.  In uw boek lees ik een oproep alert te zijn.  Aan die alertheid moet de bereidheid gekoppeld worden om telkens weer op zoek te gaan naar de echte beweegredenen achter een betoog.  Achter de slogan.  Enkel die bereidheid kan de zin voor kritiek aanwakkeren.  Dat blijkt in deze tijden meer dan noodzakelijk.  Niet enkel in de wafelfabriek.  Ook in de grote wereld.  Dat maakt uw boek meer dan duidelijk.
 
De wafelfabriek.  Ik vond het altijd een vreemde titel voor een boek.  Nu besef ik hoe u de lezer via de kleine wereld van de fabriek de grote wereld wil induwen.  Via die kleine wereld wil u de lezer een spiegel voorhouden.  Een spiegel, waarin hij zijn gedrag kan spiegelen.  Waarin hij datzelfde gedrag aan een kritisch zelfonderzoek kan onderwerpen.  In de titel van uw boek schuilt een opdracht voor de lezer.  Voor elke lezer.  Ik kan enkel maar hopen dat elke lezer die uitdaging aanneemt.  Het kan ontnuchterend werken.
 
Beste Roman, ik wil u danken voor deze spiegel.  Voor deze uitdaging.  Ik ben alert.  Ik blijf alert.  Blindheid is niet aan de orde.  Vandaag niet.  Morgen niet.  Nooit.  Ik las De wafelfabriek.  Het was verhelderend.  Een openbaring.  Voor dit fantastische boek wil ik u danken.
 
Met vriendelijke groeten.