dinsdag 6 juni 2017

De mensheid, gezien in de Minard. Brief aan Josse De Pauw en Arnon Grunberg.

Beste Josse,
 
Ik ben een mens.  Dat maakt mij deel van de mensheid.  Van bij mijn geboorte kreeg ik gratis en voor niks het lidmaatschap van deze vereniging aangeboden.  Ik kon niet weigeren.  Spreken kon ik toen nog niet.  Indien ik het toch had gekund, was weigeren geen optie.  Een lidkaart weigeren had niemand mij voorgedaan.  Er bestond geen precedent.  Ik aanvaardde dus en ging mijn weg.  Binnen die mensheid.
 
Mijn lidmaatschap verhinderde mij niet kritisch te zijn.  Die zin voor kritiek op de mensheid had ik meegekregen van mijn moeder.  Vaak zei zij dat de mensheid slechts een heel dun laagje beschaving had.  Slechts heel even krassen en het beest werd zichtbaar.  Dat vertelde zij mij.  Ik keek om mij heen.  Ik kon haar volgen.  Ik kon haar begrijpen.  Ik zie Syrië.  Ik zie Rwanda.  Ik zie Joegoslavië.  Ik zie de Holocaust.  Ik zie de Kruistochten.  Van deze opsomming wordt een mens niet vrolijk.  Een mens zou zich gaan schamen.  De mensheid heeft gefaald.  Dat zou men kunnen denken.  Een te streng oordeel, denkt de eeuwige optimist in mij.  Niet alles gaat verkeerd.  Er zijn ook mooie dingen gebeurd.  Wonderlijke dingen.  Ontroerende dingen.  Die dingen moeten de balans in evenwicht brengen.  Toch?
 
U maakt eenzelfde analyse.  In die mate zelfs dat u de verdediging wenst op te nemen.  U wordt de advocaat van de mensheid.  U zal de mensheid vrijpleiten.  Omdat u overtuigd bent van uw zaak, doet u het gratis.  Pro deo.  Wij hoeven niet te betalen.  U zal uw pleidooi houden.  In de hoop dat de mensheid zal vrijgesproken worden.  Ik hoop met u mee.  Ik wil uw troostende woorden horen.  Tegelijk hoop ik in die woorden een antwoord te vinden.  Een antwoord dat voorgaande stelling van mijn moeder zal ontkrachten.  Een antwoord dat de scheppende inventiviteit van de mensheid zal benadrukken.  
 
U lijkt te slagen in uw opzet.  U haalt de mensheid weg uit zijn slachtofferrol.  Een onterechte rol, hem opgedrongen door grote kunstenaars.  Door grote meesters.  Door die kunstenaars werd de mensheid vernederd.  U bent hard in uw oordeel.  U toont minachting voor die kunstenaars.  Omdat zij de mensheid gebruiken om er zelf beter van te worden.  U noemt hen azijnpissers.  Halfbakken intellectuelen.  Verwarde filosofen.  Geperverteerde romanschrijvers.  Dat is niet min.  Eenzelfde minachting hebt u tegenover humanisten.  Tegenover ethici.  Omdat zij allen het niet goed voor hebben met de mensheid.  Omdat zij de mensheid in het verdomhoekje duwen.
 
In uw pleidooi gebruikt u nog dat ene beeld.  Dat mooie beeld.  U vergelijkt de mensheid met het brandende Berlijn aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.  Het brandende Berlijn met aan de ene kant het Amerikaanse leger en aan de andere kant het Russische leger.  Op eenzelfde manier wordt de mensheid belaagd.  De mensheid wordt belaagd door angst en begeerte.  Die twee krachten brengen de mens tot wat hij doet.  Goed of slecht.  Het kan beide kanten uit.  Die twee krachten doen een mens heen en weer lopen.  Om hem uiteindelijk gek te maken.  Om ter plaatse te doen trappelen en uiteindelijk niet meer te weten waar het heen moet.
 
U verklaart de mensheid onschuldig.  Omdat de mens niet de regisseur is.  Hij heeft zijn lot niet zelf in handen.  De mens is slechts een pop in het poppentheater.  Hij speelt zijn rol.  In de beklaagdenbank zit de verkeerde.  De verkeerde wordt aangeklaagd.  Niet de pop, wel de poppenspeler moet aangeklaagd worden.  Die poppenspeler bepaalt het spel.  Het spel, waarin de mens wordt gedwongen mee te spelen.  Die poppenspeler is die hogere macht.  Een god.  Een godheid.  Die moet aangeklaagd worden.
 
U reikte mij enkele voorzetten aan tot antwoord.  Ik kon u volgen in uw pleidooi.  Ik zou naar buiten stappen.  In de overtuiging dat de mensheid was vrijgepleit.  Wij waren onschuldig.  U had ons vrijgepleit.  U had ons uit het verdomhoekje gehaald, waarin wij door kunstenaars onterecht waren geplaatst.  Ik kon opgelucht ademhalen.  Ik kon naar huis.  Maar dan kwam het tweede deel.
 
 
Beste Arnon,
 
Josse had gesproken.  De voorstelling leek voorbij.  Antwoorden waren gegeven.  Of toch een begin van antwoorden.  Ik kon naar huis.  Thuis kon ik alles op een rijtje zetten.  Kon ik alles verwerken.  Dat was het plan.
 
Maar dan verschijnt u op het toneel.  In het eerste deel had u zich afzijdig gehouden.  U had niet deelgenomen.  U zweeg.  Maar in het tweede deel wordt alles anders.  U neemt het woord.  U spreekt.  Honderduit.  Alles wat in het eerste deel werd geopperd, ondergraaft u.  U ontkracht alles.  Van het oorspronkelijke pleidooi blijft niks meer overeind.
 
U bent ontevreden over het geleverde werk.  U bent ontevreden over wat Josse De Pauw met uw tekst deed.  U kent geen genade met de door u aangezochte acteur.  U beweert dat hij hele stukken vergat.  Dat hij zelf stukken aan de tekst toevoegde.  Stukken, waarmee u niet akkoord gaat.  Josse De Pauw lijkt, volgens u, een verkeerde keuze.  De enscenering lijkt een verkeerde keuze.  De muzikanten op het podium lijken een verkeerde keuze.  U had het anders gewild.  
 
Uw slopen van het voorgaande doet u op een vernuftige wijze.  U brengt het op een grappige manier.  Maar net daarin schuilt het gevaar.  Al lachend zegt een gek de waarheid.  Ook dat was een wijsheid, dat mijn moeder mij meegaf.  Hoedt u voor gekken, dat leek zij te zeggen.  
 
U lacht.  U zou dus de waarheid kunnen zeggen.  Met die gedachte sluipt twijfel binnen in mijn hoofd.  Ik lijk het niet goed meer te weten.  Is de mensheid zonet vrijgepleit? Of toch niet? Ik weet het niet meer.  Het lijkt zoals bij Monopoly.  Ik moet verder naar start.  Naar het vertrekpunt.  Daar brengt u mij heen.  Ik sta opnieuw voor die ene vraag.  Mijn zoektocht naar een antwoord kan ik herbeginnen.  De helpende hand, die Josse De Pauw mij toestak, wordt ingetrokken.  Opnieuw sta ik alleen.  Zoekende.
 
De voorstelling is voorbij.  Ik rij naar huis.  Met een vol hoofd.  Met een zwaar hoofd.  De aanvankelijke antwoorden, die werden aangereikt, zijn weg.  Niet meer ter zake doend.  Enkel vragen blijven.  Vele vragen.  Vele vragen, die een antwoord behoeven.  Het zal een onrustige nacht worden.  Dat besef ik terwijl ik naar huis rij.
 
 
Beste Josse,
Beste Arnon,
Beste Claron,
Beste Kris,
 
Ik wil jullie danken.  Voor een boeiende avond.  Voor een verwarrende avond.  Voor een mooie avond.  Voor een muzikale avond.  
 
Het was ook een warme avond.  Ik had een terrasje kunnen doen.  Een frisse pint bij dat warme weer, het had een mogelijkheid kunnen zijn.  Ik heb het niet gedaan.  Ik had uw uitnodiging aanvaard.  Ik moest naar binnen.  Ik zou die keuze kunnen betreurd hebben.  Dat deed ik niet.  Op geen enkel moment.  Want u gaf mij zo veel meer dan enkel die frisse pint.
 
Het was fijn jullie ontmoet te hebben.  Nu al kijk ik uit naar een volgende ontmoeting.
 
Met vriendelijke groeten.
 
Info:
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen