dinsdag 12 april 2016

Terug naar eigen land, gezien op Vier. Indrukwekkend emotioneel. Brief aan Martin Heylen en gasten.

Beste Martin,
Beste Margriet,
Beste Veroniek,
Beste Zuhal,
Beste Bert,
Beste Ish,
Beste Jean-Marie,
 
Terug naar eigen land.  Dat is de naam van het programma.  Ik moet bekennen, ik had zo mijn bedenkingen bij het programma.  Nog vóór het op de buis kwam.  Onder invloed van commentatoren en critici had ik mijn oordeel klaar.  De vluchtelingenproblematiek, gevat in een amusementsprogramma? Een onmogelijke combinatie.  Die combinatie dan nog eens overgieten met een BV-sausje maakte het voor mij echt onverteerbaar.  De grootste humanitaire crisis, ter verstrooiing van een kijkerspubliek.  Dit kon niet.  Dit was een stap te ver.  Zo dacht ik dus.
 
Toen kwam de eerste aflevering.  Ik keek.  Ik wou kijken.  Ik wou mijn oordeel aftoetsen aan de realiteit.  Ik wou zien hoe u zou omgaan met die toch wel moeilijke evenwichtsoefening.  Tegelijk een genuanceerd, journalistiek verslag brengen en toch wegblijven van de al te gemakkelijke verleiding van verfoeilijke sensatiezucht.  Eigenlijk zou ik hetzelfde doen als de zes BV’s, die u had uitgenodigd.  Ik zou mijn vooraf gemaakte opinies onderwerpen aan een realitycheck.  Ik zou nagaan of mijn oordelen bevestigd werden.  Ik zou nagaan of mijn oordelen zouden moeten herzien worden.
 
Ik zag de eerste aflevering.  Ik kan kort zijn.  Ik moest mijn oordeel herzien.  Na die eerste aflevering stormde ik naar boven.  Om mijn koffers te pakken.  Want ik zou meegaan met jullie.  Ik zou jullie de volgende afleveringen vergezellen.  Niks wou ik missen.  Ik zou meereizen naar de frontlijn met IS in Irak.  Ik zou een ontmoeting hebben met de Peshmerga’s.  In Kenia zou ik jullie vergezellen naar het grootste vluchtelingenkamp ter wereld.  In Istanboel zou ik kennismaken met de draaischijf van de mensensmokkel.  Ik zou zelfs een gesprek hebben met een mensensmokkelaar.  Vanuit het Turkse Ayvalik zou ik mij laten overzetten naar Lesbos.  Samen met jullie.  In Gevgelija zou ik de trein trachten te nemen naar de Servische grens.  Ik zou jullie vergezellen naar België.  Samen met jullie zou ik terugkeren naar eigen land.
 
Overmorgen eindigt mijn reis.  Onze reis.  Het was hevig.  Heftig.  Bij deze reis kon ik niet onberoerd blijven.  Het ging diep.  Bijzonder diep.  Ik heb gehuild.  Ik heb mijn tranen niet weggeborgen.  Ik liet ze lopen.  Vrij.  Ongegeneerd.  Want wat kan je anders doen als mensen zeggen gras te hebben gegeten.  Omdat er niks anders was.  Wat kan je anders doen als een meisje te midden van alle miserie toch blijft hopen ooit dokter te worden.  Wat kan je anders doen als een jongen vertelt over het verlies van zijn vader en door die omstandigheden gedwongen wordt die vaderrol op te nemen.  Wat kan je anders doen als je een vader in het bijzijn van zijn kinderen ziet instorten en huilen.  Die onmacht deed mij huilen.  Het besef dat wij in luxe leven maar dat sommigen toch nog niet genoeg hebben, deed mij huilen.
 
Ik heb niet enkel gehuild.  Ik heb ook gevloekt.  Vaak en luidop.  Omdat ik maar niet kan begrijpen waarom steeds opnieuw gezocht wordt naar excuses om toch maar niks te moeten doen.  Om die vluchtelingen toch maar buiten de eigen grenzen te houden.  Omdat wij het niet zouden kunnen.  Omdat ons eigen land reeds vol zit.  Om dat alles vloek ik.  Ik vloek omdat Europa blijft weigeren legale wegen te openen om Europa binnen te komen.  Omdat Europa vluchtelingen in de illegaliteit dwingt en onrechtstreeks bestaansrecht geeft aan mensensmokkelaars.  Ik vloek omdat wij zo lopen te dwepen met onze westerse waarden maar er tegelijk niet in slagen een humanitair antwoord te vinden op deze grootste vluchtelingencrisis.  Onze vermeende morele superioriteit is op drijfzand gebouwd.  Wankelt en dreigt om te vallen.  Om dat alles vloek ik.
 
Wij moeten dringend op zoek naar redenen waarom wij het wel kunnen.  Waarom wij het wel kunnen ‘schaffen’.  Slechts één reden zou voldoende moeten zijn.  Omdat wij niet anders kunnen.  Omdat wij moeten.  Omdat wij mensen zijn.  Mensen in nood de rug toekeren, is onmenselijk.  Mensen in nood de uitgestoken hand weigeren, is onmenselijk.  Dat is nochtans wat momenteel gebeurt.  U hebt het mij getoond.  Met beelden.  Met woorden.  Om die getuigenissen huil ik.  Vloek ik.
 
Uw programma verdient de titel van beste programma van het jaar.  Niet omwille van u.  Niet omdat ik het u niet zou gunnen.  Laat daarover geen misverstand bestaan.  Voor u en uw manier van werken heb ik het grootste respect.  Ik zou u die titel gunnen omwille van de vluchtelingen.  Zij verdienen een podium.  Een podium dat hun stem versterkt.  Zij zijn de helden.  Neen, het zijn geen gelukzoekers.  Zij zoeken geen geluk.  Zij zoeken rust.  Dat is wat zij eindelijk willen.  Voor zichzelf.  Voor hun kinderen.  In die rust vinden ze hopelijk het geluk.  Dat wil ik hopen.  Want heeft niet iedereen recht op geluk?

Voor die eigenlijke rust hebben zij heel wat over.  Om de woorden van Johan Heldenbergh te gebruiken, een mens moet stalen kloten hebben om die tocht te ondernemen.  Sorry voor het taalgebruik.  Maar het is zo.  Het is echt zo.
 
Uw programma heeft mij versterkt in mijn positieve houding tegenover vluchtelingen.  Reeds ingenomen standpunten werden bevestigd en versterkt.  Met nog meer gedrevenheid zal ik een pleitbezorger worden.  Ik zal niet meer zwijgen.  Ik zal niet in een hoekje wegkruipen.  Ik zal mijn mond openen.  Telkens als het moet.  Luider zal ik het doen.  Krachtiger zal ik het doen.  Nog overtuigender zal ik het doen.  Uw programma heeft mij die voorzet gegeven.  Daarvoor dank ik u.
 
Mijn opiniestukken:
 
Met vriendelijke groeten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen